Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich in de eenzaamheid terug om onder het oog van zijn God verleden en toekomst te overdenken en meer en meer rijk te worden aan heldere zelfkennis. Na die dagen van overdenking stelt hij eene geloofsbelijdenis op. Hij wijdt zijn leven aan de beoefening van de kerkgeschiedenis en bidt God deze toewijding te zegenen. Onafhankelijk wil hij staan tegenover de menschen en hunne kritiek. Hij heeft zijn heil gezocht en gevonden bij Jezus Christus, den eenigen Middelaar. Hem geeft hij zich geheel over, wetend dat hij zich zelf verrijkt weêrvinden zal. Die belijdenis leefde in onzen held toen hij in 'tjaar 1809 het „examen pro ministerio" aflegde. Prof. Planck en zijn amptgenoot Staudlin wendden pogingen aan om hem als privaat-docent te Göttingen te houden. Te vergeefs : Neander kon in die atmospheer niet ademen. Liever wachtte hij te Hamburg tot de praktijk der Evangeliebediening hem riep. Door privaatlessen voorzag hij in zijn onderhoud. Intusschen las hij de geschriften en genoot hij den persoonlijken omgang van Matthias Claudius. Te Wansbeck sprak hij zijne eerste leerrede uit, over den aanhef van het Johannes-Evangelie. Meer dan eens trad hij voor de hamburgsche gemeente op, tot stichting van zijne hoorders, al waren zijne predicaties wat lang. Kerk-historische onderzoekingen hielden hem gedurende die dagen vóór alles bezig. Nu en dan predikende, steeds studeerende, besefte Neander meer en meer dat zijn aangewezen arbeidsveld de katheder niet de kanzei was. Dankbaar aanvaardde hij dan ook in 1812, eene benoeming als buitengewoon hoogleeraar aan de theologische faculteit te Heidelberg. Hier genoot hij, in gezel-

Sluiten