Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 34.

Zelfbewaring is bewaring 1. van ons ligchaam aK tempel des H. Geestes (1 Kor, III: 16.,VI: 19), dus te ontzien, te verzorgen, maar niet tot begeerlijkheid (Rom. XIII: 14), en op te offeren tot behoud van onze ziel (Luk. IX: 24. Matth. X: 28. Hand. XX: 24), 2. van onzen geest, 3. van het door God. ons geschonkene en onder zijnen zegen verworvene.

Strijdig hiermede is het tweegevecht (Luk. VI: 29. Matth. XXVI: 52. Rom. XII: 14—19), de verminking van ledematen (Matth. V: 29, 30), de zelfmoord, waarvan het ongeoorloofde bij gevolgtrekking is afgeleid uit Exod. XX: 13. Beut. V: 17. Gen. IX: 6. Job.'ïl: 9. VII: 11. Hand. I: 25. Hand. XVI: 28. Rom. XIV: 7—9. Gelijk uit de laatste plaats, kan men ook uit Matth. XIX: 6. 1 Kor. III: 16. VI: 19. 2 Kor. VI: 16. Eph. V: 29. Openb. II: 10, redeneren tegen den zelfmoord, als strijdig met de waarde van ons ligchaam en ons leven (zie mijne dissert. de autocheirias facinore etc).

§ 35.

Zelfontwikkeling, d. i. 1. van onze krachten en geestvermogens, 2) vooral oefening in een onergerlijk geweten bij God en de menschen (Hebr. XIII: 18. 2/for.I: 12. 1 Petr. II:20), waardoor wij zedelijk karakter verkrijgen, 3. van onzen staat in het maatschappebjke leven door arbeidzaamheid (1 Tim. VI: 6—8) en spaarzaamheid, waarbij men zich vooral heeft te .wachten voor gierigheid (den wortel van alle kwaad 1 Tim. VI: 9, 10. Joh. XII: 6).

Aanm. Bij dit geheele Hoofdstuk vergelijke men de leer der deugdmiddelen, $ 20 en 21, bladz. 47.

Sluiten