is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dadig isoleeren een verouderd wetenschapsbesef kan worden opgedrongen. Maar bovenal: wetenschap kan ten opzichte der godsdienstige waarheid nooit verder komen dan tot een erkenning van resultaten, van krachten, die zich uit het bekende niet verklaren laten. Of de groote figuren der geestesgeschiedenis dragers waren eener Goddelijke openbaring, dan wel blinde, en daarom gelukkige en sterke, slachtoffers van een schoone illusie, onttrekt zich aan haar oordeel. En weer: een nuchter en zakelijk overzien der historie leert met onafwijsbare duidelijkheid, dat iedere waan haar heiligen en haar martelaars kan hebben, dat ook het eeuwen-lange voortbestaan eener levensleer geen waarborg biedt voor haar waarheid. De psychologie kan vaststellen, dat gehoorzaamheid aan een Goddelijk gebod een zieke ziel tot genezing brengt; of 't om een werkelijk gebod Gods gaat en dit dus aanspraak heeft op gezag, vermag zij niet te beoordeelen.

In deze wereld van onzekerheid staat nu de Christelijke Kerk met de pretentie het antwoord te brengen.

Een oplossing, ja, maar dan een, die zich niet aanvaardbaar wil laten maken voor ons menschelijk denken, en die geen harmonie forceert met onze zedelijke oordeelen, die alleen oplossing is, omdat en voorzoover zij het antwoord van God zelf is. Hier goed verstaan eischt een radicale omkeering in ons denken en voelen.

Wij worden in dezen tijd van krant en brochure en radio omzwermd door duizenden overtuigingen en wereldverklaringen; op iederen straathoek staat, bij wijze van spreken, een profeet, die ons aan ons geestelijk jas je trekt en een levensbeschouwing wil aanpassen. Te midden der vele stemmen klinkt ook die van het Evangelie, en zij onderscheidt zich uiterlijk door niets van de andere: rustig staat de Kerk in de rij der tallooze kapelletjes en vergaderzalen, weerloos tegenover ieder, die haar boodschap een waan noemt, een overtuiging, stellig ernstig gemeend, maar ten slotte toch een, waarvan er „twaalf in een dozijn gaan". Toch gaat zij voort haar woord te spreken met een wonderlijke hardnekkigheid: zij weet immers, dat menschelijk denken niet tot God kan naderen, dat de sprong moet gewaagd van ons denken en zedelijk oordeelen over God tot Gods denken en oordeelen over ons. Als God waarachtig is, dan is Zijn wil heilig, omdat het Gods wil, dan is Zijn spreken waar, om-