Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat de leer van Luther en Melanchthon meer met de H. Schrift overeenkwam, begon ook hij naar die zijde over te hellen. — Toen men daarop den graaf den Catechismus van Luther, de Smalkaldische Artikelen en de Augsburgsche Geloofsbelijdenis overhandigde, onder welke hij zoovele handteekeningen van vorsten, graven en edelen zag staan, kwam ook hij tot het besluit om deze belijdenissen als de zijne aan te nemen en in zijn land in te voeren.

Hierop liet hij in 1544 al de geestelijken van zijn Graafschap samenkomen en deed hun bij monde van Van Loen en Hasenhart aanzeggen: dat zij voortaan, met weglating van de „missen, vigiliën en processiën", overeenkomstig de Augsburgsche Confessie hadden te prediken en de daarin beledene leer zouden verdedigen. Dat zij eveneens naar het voorschrift dier Confessie de bediening der Sacramenten en van alle overige kerkplechtigheden moesten inrichten. ')

De vergaderde heeren geestelijken waren, evenals de meerderheid van het volk, blijkbaar zeiven ook de beginselen der Hervorming toegedaan. Zij bleken daarenboven ook de leer van het „Cujus est regio, ejus religio" — wat, vrij vertaald, zooveel zeggen wil als:

') Zie W. T. Visch, „Geschiedenis van 't Graafschap Bentheim"; die veel heeft overgenomen van den heer Gerh. Arn. Rump; terwyl laatstgenoemde veel, van 't geen het gemelde Graafschap betreft, op zijn beurt weer heeft ontleend aan den heer Hammelmans „Geschiedenis van de Hervorming in Westphalen".

Sluiten