Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:13

Desnoods zou men met Dibelius ovze kunnen verklaren, doordat men op de vorige rhetorische vraag een antwoord neen aanneemt en dan voortgaat: noch. Maar dit is vrij gekunsteld. Hauck neemt ovze „in freier Weise" na een wat den inhoud betreft negatieven zin. "Tóchq zal zoowel bij ukvxov als bij yl.vxv behooren, door deze wijze van uitdrukken ontstond een korte kernspreuk. Zout water kan geen zoet water maken, leveren. Men kan met Dibelius aJ.vxóv opvatten als zoutbron. Een nadere toepassing geeft Jakobus niet meer en die behoeft hij ook niet te geven. Het gaat om saamhoorigheid en om voortbrengen naar eigen aard. Jakobus wil door plastisch de natuur te laten spreken, als telkens in zijn brief, overtuigen.

1—12. Op allerlei manieren waarschuwt Jakobus tegen zondigen met de tong. Rechtstreeks en in beeldspraak. De bijzondere beeldspraak, die ons telkens naar het natuurleven voert, brengt op de gedachte, dat Jakobus de tong naar haar aard wil laten werken, dat is evi.oyelv zov xvqiov xal TiaztQa. De gekozen voorbeelden zijn kras, moeten dienen om af te schrikken. Het is nog niet zoover met de lezers, als hier wordt geteekend, dan was vermanen overbodig. Maar ze moeten zien, waarheen de zonde, die ze bedrijven, leidt, van welk karakter ze is. Als van deze zonde der tong heel niets bij de lezers werd gevonden, was de uitvoerigheid, waarmee Jakobus spreekt, niet te verklaren.

3 : x3— '8. Ware wijsheid.

Weer komt Jakobus plotseling op een nieuw onderwerp, ioch ontbreekt ook thans niet alle verband, want het gaat om de i Qya, die vroeger voorkwamen als vruchten des geloofs, thans als vruchten der ootpia en het onmiddellijk voorafgaande wees op het voortbrengen naar zijn aard. Men gevoelt in deze verzen een tegenstelling en krijgt den indruk, dat de geadresseerden zich wijs hebben genoemd, inderdaad onderling twistten, vgl. 4 : 1 vlg. Jakobus spreekt in den grond der zaak niet anders dan Paulus in 1 Kor. 1 : 18. Alle goede gave, 1 : 17, ook ware wijsheid komt van boven, daarom hangt die wijsheid samen met de niozig, beide leiden tot goe e werken, de Ttiotig als bron, de ootfia bepaalt, gelijk juist in dit verband blijkt, tijd en karakter der tQya, vgl. vs. 17. Verband tusschen Ttioziq en ootpicc vinden we 1 : s, zie de exegese van die plaats. Tt'g etc., een gewone rhetorische figuur, vgl. Richt. 7 : 3 ; Ps. 33 (34): 13; Jes. 50 : 6, 10, omschreven: indien iemand waarlijk wijs enz. wil zijn, dan moet hij enz. -otfoq en èjiiozi'i/iatv zijn zoo te onderscheiden, dat het eerste meer ziet op het natuurlijke inzicht, het tweede op het tot een slotsom komen na overweging. Men vergelijke Dan en Jtn Deut. 1:13; 4:6, waar de LXX oöcpoq en

Sluiten