Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staan we hierbij echter wat langer stil.1)

In Franeker, het stadje vol karakter; trotsch op zijn vele gave historische gebouwen ; met zijn oude knusse grachten en zijn droomerige intieme huisjes; niet onwelvarend maar toch niet bij machte te verbergen, dat het eertijds verkeerde in beteren doen ; dat zijn oude akademie, waaraan zoo menige beroemdheid doceerde, zag verontwijden tot krankzinnigengesticht en daarover op den koop toe zich nog het leedvermaak van naburige steden moet getroosten, die spotten, „dat er de geleerdheid omsloeg tot razernij", was een vrij talrijke Christelijke Gereformeerde kerk. Zij bloeide evenwel niet. Integendeel. Zij was aan verdeeldheid ten prooi. De voorname oorzaak daarvan lag wel in Ds. K. J. P i e t e r s, die haar van 1851 tot 1875 diende. Behalve de eigenaardigheden in zijn prediking, die niet altijd den toets van het Gereformeerde konden doorstaan, maakte hij ook ernstig misbruik van sterken drank of gelijk hij zelf het op een vergadering van den kerkeraad, waar hij over die zonde onderhouden werd, bestempelde: „een al te vrij gebruik van spiritus". Wel beloofde hij, dat er „geen drup spiritus" (lees: Schiedammer) meer over zijn lippen zou komen, maar hij liet tegelijkertijd doorschemeren, dat men daarop niet al te nauw moest toezien, want dat het hem een zwaren strijd zou kosten. Hij verviel dan ook spoedig weer in de oude zonde, maar wilde de ellende, die daaruit voortkwam ook in de gemeente, niet op rekening van eigen schuld stellen. Eenige malen wordt het advies van de kerk van Harlingen ingeroepen. Eindelijk wendde men zich tot de classis. Deze adviseert tot „losmaking". Aan Ds. P i e t e r s zou een wachtgeld van ƒ 700 worden uitgekeerd, totdat hij een beroep naar elders zou ontvangen. P i e t e r s, die echter zijn getrouwen had, preekte 's Zondags voor hen in een schuur en bediende er de sacramenten. Velen scheidden zich van de kerk af en keerden meerendeels niet terug, ook niet toen Ds. P i e t e r s een beroep kreeg en heenging. Later — maar dat was na Bavincks tijd — werd P i e t e r s door de Vrije

De Raad der Oeref. Kerk van Franeker stond mij welwillend het notulenboek van die jaren, dat Bavinck daar predikant was, af. Ook had de heer H. Pasma, scriba van den kerkeraad, de vriendelijkheid mij te geleiden naar de gemeenteleden, van wie te verwachten viel, dat zij over het verblijf van Dr. Bavinck iets zouden kunnen mededeelen.

Sluiten