is toegevoegd aan uw favorieten.

Overleveringen der voorige eeuwen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«3° DE MOLENAAR van

phil. Zie daar op gindfche altaar, Ulrich, dat wonderdaadig Mariabeeld, het geen eens de oogen verdraaide.

ulr. Toch niet over uwe daaden, hoogwaardige -V ader ?

guard. Ridder, denk dat gij in den tempel Gods zijt!

ulr. Ik dank u voor die herinnering. Dat beeld verdraaide alzo de houten oogen? ó Wonder ! De oogen! Hij filet met de punt zijner lans aan de oogen van het beeld.

guard. Ridder, terug met de lans.

ulr. Wonderen mag men trachten te onderzoeken. —- Hij fliet nog eenmaal daar na, en de oogen vielen in het holle beeld terug.

phil. (zeer luid) Ulrich van Aarhorst, wat doet gij?

guard. Roekelooze, wat waagt gij? Vuuj van den Hemel zal u verteeren.

ulr. Kondet gij het van den Hemel afbidden over Ulrich van Aarhorsr!

Eene zachte flem klonk; Ulrich!

ulr. Wat was dat?

guard. (zidderende) Een weêrgalm! —— Weg uit het huis Gods , gij duivel, het geen gij tracht te ontheiligen.

ulr. Hier zal ik ftaan voor dit beeld, tot dat Gods donder mij voor den rechterfloel roept, of

nog eenmaal die flem hooren Ha! God! —

Zie, PhilipJ Zie Monnik! De oogen van het

beeld