is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het euangelie van Joannes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÈÜANGELIË van JOANNES. H. XVII: 6-8. 451

eerst voor de elf Discipelen gebeeden, en tot hen alles, wat vs. 6—I9 voorkomt, betrekkingJieeft.

Hij omfchrijft hen, als die de Vader Hem uit de waereld gegeeven had. Zij behoorden tot de waereld, of tot het verdorven menschdom. Er was dus niet* in hun, dat hen onderfcheidde; en zij zouden , zoo min als iemand, in Hem geloofd hebben, zoo de Vader ze Hem niet uit de waereld gegeeven, of hen, door zijne genade, tot het geloof gebragt, en Hem toegevoegd had. Dat dit door het geeven bedoeld zij; hoe het aan den Vader wordt toegekend; hoe zij daardoor des Heilands eigendom worden, en wat verder, tot recht begrip hier van , behoort, hebben wij, bij H. VI: 37» aan geweezen.

Aan deezen nu had Hij des Vaders naam bekend gemaakt. ■ ,

Veelvuldig wordt in het O. T. van Gods naam gewag gemaakt, en dan gedoeld op den naam jehovah , of heere, die Gods eigen naam was, en Hem aanwijst als dien God, die de beloften, welken Hij aart abraham, Israels Stamvader, gedaan had, vervullen zou, en daar in den luister van alle zijne volmaaktheden ontdekken ; waarom wij leezen, dat God , deezen naam voor moses zullende uitroepen, zijne volmaaktheden aan Hem verklaarde, Exod. XXXIV: 6,7. De gemelde beloften waren van een tweeërlei foort; voor eerst, beloofde God aan abraham, dat Hij zijn zaad zich tot een yolk zou eigenen uit alle de volken der aarde,en hün het land Kanaan tot eene bezitting geeven. Ten tweeden, dat uit Hem de messias zou voortkomen, het zegenend Zaad, waai' in alle de volken der aarde zouden gezegend worden. Zoo lang deeze beloften niet vervuld waren , had zich God nog niet met Ff a de