is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van de kristlijke kerk in de achttiende eeuw.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE ACHTTIENDE EEUW. 239

Hfche boeken de fchriften der tegenwoordige Godgeleerden onderzocht en beoordeeld worden. Alles

wat

ments door eene gansch bezondere leiding van God ver. vaardigd, en dus, in zekeren zin, ook Godlijk waare. „ Men moet het niet zo vreemd houden," zegt hij, over die vertaaling zijne gedachten uitende (in zijne Opp. Sylb. edit. 1592, Stromat. Lib. L p. 148, reg. 7.) „ dat God, „ die de Schrift heeft ingegeeven, in de pen der ProfeeM ten, nu ook daar van eene vertaaling deed vervaardigen, „ die voor eene onmiddelijke Openbaaring van Gods wil \ ,, in het Grieksck opgefteid, mogt doorgaan." Uit hunner beiden fchriften zien wij eindelijk, dat ook, in hunne dagen, het algemeen en bezonder gebruik van het Oude en Nieuwe Testament in de Vergaderplaatzen der Kristlijke Gemeenten, eu in de huizen der Godsvruchtigen hebbe plaats gehad. Ten bewijze van het eerfte ftreklte het volgend kort verflag, 't welk Justinus , de Martelaar, ons geeft van de gemeenfchaplijke Godsdienstoefening zijnes tijds, in zijne Apologia II. pro Chriftianis (p. 98.) Hier luidt dat verflag dus. „ Eiken Zondag komen alle de Kris„ tenen van het Piatte Land, zo wel als die uit de Steden „ op ééne zekere plaatze Godsdienftig bij-.elkanderen; en „ dan worden de gedenkfchriften der Apostelen [raasra/ty*. Wwmr* rw dat is, in den ffijl van Justinus

niet, gelijk men anders meenen zoude, de Handelingen der Apostelen, maar de vier Evangeliën van Mattheus, Markus, Luras en Johannes] „ of de fchriften der Profee„ ten, naar omftandigheden des tijds, luidop voorgelee„ zen. Vervolgens, wanneer de Voorleezer dit werk ver„ rigt heeft, houdt de Opziener eene Redevoering over het voorgeleezen, waarïn hij het volk onderwijst, en tot n de betrachting der pligten, in den Tekst vervat, fticht-

„ lijk