is toegevoegd aan uw favorieten.

De bybel verdeedigd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226 Verdeediging van de

fmaak is. Zeker, indien Paleftina nog heden in eenen bloeïenden ftaat was, en zyne voorige vruchtbaarheid en overvloed vertoonde, wat zouden de Ongelovigen niet weten in te brengen tegen de voorzeggingen en bedreigingen, weleer van God aan de Jooden gedaan Levit. XXVI. 33. pf. X. 23. Deat. XXIX: 22-24. Joël IV. 3. Zach. VIL 14. enz.? Maar nu kan men niet ontkennen, dat de Heere waarlyk gekomen is, en dit Land met den ban geflagen

heeft Mal. IV. 6. Nu nog een woord no-

pends den verbaazenden oogst, dien Ifadk inzamelde Gen. XXVI. 12. en hoedaanig ook Matth. XIII. 8. voorkomt. Hier merk ik op, dat veele oude Schryvers van zodaanige honderdvoudige vrucht gewag maken (*), dus is het geen de vyanden der üpenbaaring hier aanvoeren , niet meer tegen den Bybel , dan tegen alle de oude Schryvers. Ondertusfchen was het de moeite waardig, hier nader onderzoek te doen, waarom ook de Heer MiCHAëus onder de vraagen aan het Reisgezelfchap, deeze heeft opgegeven, nopends de groote vermeerdering van hetkoorngewas in Afiën en Afrika (f) ? Op welke vraag de Heer Nikbuhr (§) omftandig bericht gedaan heeft; verhaalende byzonder van de Durra of kleine Mais, dat deeze in de bergachtige ftreek zich maar honderd en vyftig vouwdig, doch in Tehdma, gelyk hem door verfcheiden perfoonen verzekerd was, tweehonderd, en fomtyds vierhonderdvouwdig vermeerderen zou, en hy meent, of Gen. XXVI. 12. ook van Durra gefproken

word ?

(*) Men zie de plaatzen by Wetstein op Matth. XIII. 8. (f) Bladz. 17.

CD Befchrjy. van Arabiën. Bladz. 143—148.