is toegevoegd aan uw favorieten.

Alle de werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100 E,IEK.I>ICHTÏfr»

Een oefentuigh, daer 't oogh op vhl.

Natuur gaf elk zijn deel. Men greep, als in een ooiloghsbuit,

Dees fncl, en die bedaert, Een' ring, een pen, een vijl, een luit,

Een boek, een beelt, een zwaert: En op het geen een ieder greep,

Gedreven van zijn lot, De kiezer dan zijn zinnen (leep,

Gelijk een ampt, van Godt En vrouw Natuur, hem opgeleit.

Wie hier aen twijfel (laet, Die haele op Jaüatra befcheit

Bij u, den Eerften Raet Van ons Oostindiaensch gebiet,

En fcheppe een blijk uit u, Die ruim moest weiden, anders niet,

Van enge paelcn fchuw. Dies viel ons ruim en nieuw Stadthuii

Uw' ruimen geest te kleen, Het zitten op ons wapenkruis

U ongemaklijk fcheen. Dat dreef u naer het zeegevecht;

Een zorgelijke kans, Daer 't Britsch en Hollantsch waterrecht

Elkandere om den krans In 't zeeperk (loegen, en de brant

Den Oceaen ontllak, De lontftok, in uw rechte hant,

Kartouwen, krak op krak, Aen 't baeren holp, en ftael en fchroot

En ketens van metael Ten beste gaf aen 's vijants vloot, En zijnen Arairael.