Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 DE GELYKHEID,

OLDAN, kwaad wordende. 'k Verzoek u, op myn beurt, gy zult dat fpotten laten!

'k Bezit myzelven fchier niet meer; Daarom, ik waarfchouw u, mynheer! (Want burger kan ik u niet noemen,) Dat gy bedenkt met wien gy fpreekt, Dat gy een lompheid Haakt, die waardig is te doemen, En my het bloed niet meer ontfteekt! valmont, ook kwaad wordende. Wat droeli! heb ie van je leven! Wat beeld finjeur zich niet wel in! Zei jy my dreigen, maat! en my zulk antwoord geven!

Neen ! die gelykheid is geheel niet naar myn' zin. Waar (laat, by wilden zelfs, in eenig boek befchreven Dat ooit een dienaar zulk een domheid heeft bedreven ? Foei! Schaam je om die onvoeglykheid! Je bent wis dronken; want je weet niet wat je zeit! oldan , zeer kwaad. Verdort! dit gaat te hoog ! Ik kan 't niet langer lyden!

Uzelv', die my voor dronken fcheld, Is mooglyk wel het brein ontfteld! 'k Zal in 't vervolg uw vlagen myden! Zyt gy een patriot, zo als men u benoemt? Gy, die uw' evenmensch g;lyk een dier durft achten! Gy , burgerlyk tiran, die de eedle vryheid doemt, En geen gelykheid wilt betrachten!

VAL-

Sluiten