is toegevoegd aan uw favorieten.

De geest der Nederlandsche dichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C i°4 )

ik minde hem hoe...zou ik veinzen!

Dien fchoonen bloem, dien trouwen — och! Schoon hij ook dood waar —'k min hem nog Het lust mij flêeds op hem te peinzen. Weg tr.ianen — toeft — tot dat ik dezen Held, ("Zoo ooit een pijl van liefdes peezen Hem trof—zal hij meedogend wezen,) Mjjb leven en mijn lijden heb verteld.

Wij dan, van alle hoop verlaten, Belloten, door een jong verftand,, Om famen naar een ander land Te vlugten, en het Hof te baaten. Wij vonden 't goed en ftemden eenen tijd, Wanneer men heimelijk zou vlugten, 'k Vcrwngtte dezen dag met duchten, Nu was ik bang —nu wederom verblijd.

't Was s'ucbtens, ia den koelen dage, Wanneer ik, wandlende in den Hof, Vaak omkeek door het groene lof, Of mij ook iemands oogen zagen; Ten laatftcn Hoop ik uil ter hofpoorte uit, En kwam, daar mij mijn Licffle toefde, Wij hadJen, 't geen de nood behoefde, Ik riepi mijn Lief!..hij noemde mij zijn Bruid.