Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224 VADERLANDSCHE LXXVIII. Boek*

1 ï743. te

De Schut tery fluit, eindelylt, den Oproer.

Men hadt dit huis van 't beste huisraad ontledigd; voorts geflooten en te huur gezet. Docli 't gefpuis raakte'er ras binnen, onder een woest gefchreeuw van Oranjehoven! of Huzza! welk de gewoonlyke kreet der plonderaaren was ; en alles, wat men'er vondt, werdtverbryzeld. Een der Burgemeesteren dit geweld , door de glazen van 't Stadhuis, aanfchouwende, hadt, zo men verzekert, geen moeds genoeg , of vondt ten minften ongeraden, om het te doen fluiten , fchoon een der Burger - Kapiteinen hem, daartoe, zynen dienst aanboodt. Aan andere huizen werden, dien dag, diergelyke baïdaadigheden gepleegd. Eenige weinige huurhuizen, die men, by tyds, hadt weeten ledig te maaken, werden van verder geweld verfchoond* Aan den Kelder , daar de Zoutdraagers 't zout by de zak kwamen haaien , werdt het woeden ook gefluit; laatende de plonderaars zig beduiden , dat 'er niet dan zout, zo noodig tot behoudenis van veele leevensmiddelen , in te vinden zou zyn. Nu hadt men omtrent twintig Pagters huizen , in minder dan twee dagen , geplonderd, toen 't graauw, 't hollen gewoon , ook andere wooningen begon te dreigen. Men verfpreidde, ten minfte , dat de voorgangers lysten by zig hadden, waarop nog veele huizen getekend ftonden , die men aan de woede van 't Graauw dagt ten prooije te geeven. De Schuttery, eindelyk, 't gevaar, welk haar en de Stad dreigde , bezeffende y kwam , op vermaaning der Wethouderfchap, eerst in den nademiddag tot omzien. Verfcheiden' vendels trokken, met ftille trom, op, en voegden zig, op de plaatfen, daar't meeste gevaar

Sluiten