is toegevoegd aan uw favorieten.

Landreize naar de Oostindiën.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124 LANDREIZE

Hond; hij fprak met haar door de open vakken van.- het hout en lachte verfcheiden maaien gedurende dit gefprek. Eindlijk overdekten zij den 'houtdapel met nat droo en bonden het met touwen vast. .

Hierop nam een bramin een hand vol droo, -dak dit aan den kleinen hoop brandende koemist aan, en liet den wind de vlam naar den houtdapel drijven. De wind dak gelukkig op ditoogenblik derker op; aanftonds was de vlam door den ganfchen houtdapel verfpreid en brandde met felle woede- Ik luisterde eenige fecondcn , doch -kon geen gefchrei horen, het, welk misfehien kwam, dat de wind van mij af was. In weinige minuuten was de houtdapel tot asch geworden.

Van het begin af, tot dat wij de vrouw niet .meer konden zien, wijl zij door het hout bedekt •was, had ik mijne oogenfehier gedadig op haar gevestigd, en. ik verklaar, dat ik op haar gelaat -geen het;minfte teken van fchrik, vrees of zelfs -van- eenige weifeling kon befpeuren; haare houding was volkomen gerust cn bedaard, en ik ben .'verzekerd, dat zij niets had gebruikt, dat haar dronken of gevoelloos zou hebben gemaakt. — Uit verfcheiden omftandigheden bcfioot ik, dat de braminnen zig bij deze helfchc oiTcrhanden verheugden , c D gaerti hadden , dac Europeërs er getuigen van W#tDi

Van