Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÏII

boek VIII

Hoofdfl na C. C Jaar 36;; tot 471;

14S KERKELIJKE

door, bf twee Goden te erkennen, of met de Sa* beUianen den Vader en den Zoon voor éénen Per. foon te houden , bewijst hij, dat ook de Zoon • waarachtig God is. In het zesde Boek tast hij dat ' gedeelte der Ariaanfche belijdenis aan, waar in zij de Maniche'ifcha, Sabelli'aanfche, en andere Ketter» fche Leeringen van den Zoone Gods. verwerpende, tevens, op eene listige wijze, het Katholijk Leerftelfel bedoelen. :Vervolgends wendt zich hilarius in een lang en vrij zonderling Gebed tot God, hetwelk in den grond hekelingen en befchimpingen op de Arianen bevat. Daar in belijdt hij, den Zoon van God , uit de Euangelifche en Apostolifche Schriften, als den eeniggeboren God erkend te hebben, en vervolgt dus: „ Ach! in welke diepte ,, eener hoopeloze terugtred hebt gij mij gedom„ peld! Immers, ik heb dit zoo geleerd, zoo geloofd, ik houde het met een zoo vast geloof, „ dat ik niet anders geloven kan, noch wil. Waar„ om hebt gij mij, ellendigen , omtrent u misleid, ,, en het ongelukkig vleesch met de ziel, door eene „ van uwe kennis ver verwijderde leere, verdorven? „ Mij heeft de heerlijkheid des na het klieven der ,, Roode Zee van den Berg afkiimmenden en alle

„ verborgenheden met u zienden moses,"

(david, salomo, enz. Alle de Profeeten tot op

de Euangelisten en Apostelen opnoemende,) ■

,, bedrogen en misleid. Van hen heb ik geleerd, „ het gene ik wete; door hen ben ik ongeneeslijk „ befmet geworden. En vergeef het mij, Almag„ tige, ik kan daar in niet verbeterd worden, maar

„ 'er

Sluiten