is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en iuar Gezag in pen Godsdienst. 87

waarheden op zich zelve en in derzelver betrekkinge op elkander onderzogt, en in het toetzen en vergelijken van de bewijzen voor derzelver zekerheid her groot nut mijner Rede ondervonden. Ik dank God mijnen Maaker, dat hij mij als een redemagtig wezen, verftandiger maakte dan de beesten, en geleerder dan de vogelen des Hemels. Ltoeh met dat alles ondervond ik toen en nog dagelijks, dat juist diezelfde vermogen, zoo noodig en nuttig in het onderzoek der waarheid, in den grond vijandig en afkeeng was om zommige en wel allergewigtigfte waarheden te gelooven; dat allerleie verkeerde en regt tegengeitelde bedenkingen bij mij opkwamen, welke vierkant inliepen tegen het duidelijk getuigenis van God. Moest ik hier uit niet opmaaken , dat mijne Rede, in geestelijke dingen , blind bedorven en vijandig was, en dus op zich zelve ftaande, geen bevoeode en wettige Rechter kon zijn om te beflisfen wat waarheid is of niet is? — of moest ik, om de ongefchonden gaafheid mijner Rede ftaande te houden, Gods onfeilbaar getuigenis loochenen, of regenftrijdigheden toedichten? Trouwens, juist dit zelfde woord, het welk mij mijne redelijkheid en vrijheid leert; het welk mij, als vatbaar voor zedelijke verpligtinge en toereekeninge, den pligt gebiedt en die bevelen door voorftellingen van zegen en

vloek'ten fterkften aandringt; geeft echter zulk eene

befchrijving van 's menfehen natuurlijke en zedelijke gefteldheid, welke allerduidelijkst toont, dat beide zijn verftand en hart verduisterd «n bedorven, en tot het kennen en betragten van geestelijke dingen, zoo als tot zaligheid vereischt wordt, uit zich zelve, zonder tusfehenkomst der zaliamaakende genade des H. Geestes, onbekwaam en ongezind is. Zoo zegt de Heiland, die het beste wist wat 111 den mensch was, van binnen uit bet hart [niet van deeze of geene uitfteekende booswigren, maar] der Menschkn, komen voort, kwaade gedachten, overjpeelen. hoererijen, dtoclflagen, dieverijen, gierigheden, hoosbeden, bedrag, ontugtiebeden, booze oogen, lasteringen, hovaardij, onverftand: alle deeze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den Mensch, Mare. XII: 21, 22, 23; hoe dit beftaanbaar kan zijn met eene gaave en onbedorven Rede - of hoe een bedorven hart zonder een bedorven verftand kan plaats hebben, verklaar ik niet te weeten. Trouwens het bedenken des vleefcbes is vijandfebap tegen God: want het onderweipt zich de wet Gods niet; wai.t het kan

tok niet, Rotn. VIII: 7» in welke Plaats door den A^QS',

tel