is toegevoegd aan uw favorieten.

Saamenspraaken over de Hebreeuwsche poëzy.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64 TWEEDE SAAMENSPR AAK

Wel weet ik, dat het alzo is;

Wat is een Mensch tegen God,

Wys van harte en fierk van kracht!

Wie heeft zig tegen Hem verzet, en rust gehad?

Die de bergen verzet, en zy weten het niet,

Die dezelve omkeert in zynen toorn j

Die de aarde fchudt op haare groridvesten;

Dat haare zuilen fidderen.

Hy fpreekt tot de zonne, ën zy gaat niet op;

Hy verzegelt de ftarren in haare wooningen.

Hy alleen fpant den Hemel uit,

En wandelt op de hoogte der zee.

Den Wagen en de Morgenftar,

Het zevengeftarnte en de kameren van het diepe zui-

Heeft hy gemaakt. ——

Hy doet groote dingen, onnafpoorlyk groot,

Hy doet wonderen, ontelbaar veele!

Ziet! Hy gaat voor my heen, ik zie hem niet;

Voorby my, ik word Hem niet gewaar.

Hy rukt weg, en wie zal het weder brengen !

Wie tot Hem zeggen, wat doet Gy?

Denkt gy niet, dat dit hoog gevoel, het gevoel der Natuur is? en dat, hoe duidelyker, hoe meer omvattende, een Volk overal de kracht

van