Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegens den staat der zielen na dit leven. 423

leen zeer uitftekende en dappere mannen, welken, volgens de denkbeelden, by alle onbefchaafde volkeren aangenomen, en door ons te voren reeds breder verhandelt, de hoogfte gelukftaat was befchoren, zo dat zy, verre boven den kring der menfchelykheid verheven, Daemons wierden (a). Virgilius ftaat hieromtrent echter in een ander begrip, daar hy de zielen, in de Elifefche velden wonende, affchetst, als zynde in eene plaats van zuivering, welke zy, na een bepaalden omloop van jaren, wederom ftaan te verlaten , om weder tot deze waereld op te klimmen, en andere lichamen te betrekken. Dog, die overfchone zesde Eneide, in welke van deze zaken gchandelt word, fchetst ons geenfints de oude volksbegrippen nopens den ftaat der menfchen na dit leven af, maar behelst eene zinnebeeldige nederdaling ter helle, gelyk dezelve in de Eleufinifche verborgenheden gebruiklyk was en dus fpreekt ook de Dichter volgens de leer dier verborgenheden, welke de zielsverhuizing ftelde, en dus de eeuwigheid van dit onderaardfche verblyf ontkende, gelyk in 't vervolg nader zal worden aangewezen.

Dit zy ons genoeg om de oude Griekfche volksbegrippen te leren kennen. Dezelve zyn door dichterlyke cieraden allengskens opgefmukt, en hoewel in zommige opzichten veredelt, over het geheel echter

meer

(a~) De Daemons waren eigentlylt menfchen, welke om hunne uitftekende deugden ten hemel voeren. Plato in Cratyl. 263.

(F) Warburton g. z. van Mozes 1, 333. Court de Gebelin Hift. du Calendiier 310.

Gedachten van Virgilius.

De Dichteren hebbendeaanftaandeplaatfenvan

Sluiten