Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 6 Aanmerkingen op het gene de Heer

bloote zuivere redj, en alleen door haare algetneene, en (als zoodanig) wetgevende, forrn, het zedenlijke goed n kwaad, deugd en ondeugd, wiscen te onderfcheiden.

Doch laat mij voor een' oogenblik toegeven, het gene ik anders beweere voor ons onmooglijk te zijn, dat wij, naamlijk, Gods beftaan, buiten cpzigt op onze zedenlijke natuur , zouden kunnen bewijzen ! dan nog zelfs wil ik twee dingen weten: (i) hoe onze rede, uit het beftaan van God, en onze betrekking tot hem als onzen Schepper, het befluit kunne opmaaken, dat wij tot gehoor* zaamheid aan God verpligt zijn; (2) hoe die rede, uit dit beftaan en deze onze betrekking, in ftaat zij de zedenlijke wet te ontdekken, welke wij betrachten moeten.

Op de eerfte dezer vraagen moet de Doctor and woorden , gelijk hij ook werklijk doet (*): de mensch is, natuurkundiglijk hefchouwd, in alles, van zijnen Schepper af bangelijk; derhalve is hij het ook zedenlijk, en dus verpligt zig aan hem te onderwerpen, dat is, te doen het gene hij gebiedt.

(*; Bi. 107, 10S.