Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49$ t ü k, Bui,

fel: buiten de ftad -wonen. Iemand buiten de deur MitedHiertoe behooren de figuurlijke fpreekwijzen: hij was* van blijdfchap, buiten zich zeiven, zich buiten adem loopen , voor buiten den adem. In meer andere fpreekwijzen van dezen aard, verliest het zelfft. naamw., gemeenlijk het lidwoord: buiten ftaat, buiten gevaar, buiten zorgen 'buiten ftcnulden zijn — dat is buiten mijne kennisgeftchied

buiten kennis liggen — buiten westen zijn — dat is buiten mij, dat raakt mij niet. Buiten, zonder, twijfel

buiten, boven, tegen, verwachting, — buiten,/behalve , hem, heb ik er niemand gezien — buiten, Uit, het fpoor rijden — buiten dat, enz. Met den tweeden naamval: buiten 's dijkt j buiten 'i huis, buitenslands, enz.—: Ook wordt het als een bijv. naamw. gebezigd, waarvan' echter de overtreffende trap, buitenfte, alleen in gebruik is : de buitenfte bast van eer.en boem. Eindelijk wordt het aan' vertchcidene woorden vastgehecht: buitendeur, buitendijk i buitengemeen, buitengewoon, buitenhof", buitenkans, buitenkant, buitenlander, buitenlandsch, buitenlucht, buitenman, buitenmoeder, buitenmuur, buitenplaats, buitenfporig i (bij Hooft o'ok buit en fpoorschfj buitenfportgheid , buitenfporiglijk, luitenftad, buitenvader buitenverblijf, buiten-wacht, buitenweg, buitenwerk, enz.Krue bezigt het woord buitenlust, niet onaardig, voor wellust, ontucht: buitenlusten der lichter vrouwen. BUKKEN i önz.w., gelijkvl. Ik bukte, heb gebukt. Zich nederwaart buigen: buk wat. Vooröver bukken. Laag bukken,- buk wat lager; ook overdragt.:' laag voor iemand bukken, zich zeer nederig en ondergefchikt omtrent hem gedragen,. — Ten Kate brengt het tot buigen. BUKKING, zie bokking. 6 BUL, z. n., m<, des buis, of vdn den bul; meerv. lullenv Een ftier: zoo van den bul bereden. Dn. Deck. Figuurl ' een ftuursch mensch. Van hier bulachtig, bullegeld, bulleman , bullepees, bulos.

Bul, hoogd. Bulle, eng. bult, deen. Bol-oxe, pooL wol. Waarichijnlijk, is deze benaming ontleend van het bulken, aan dit dier eigen. BUL, bulle, z. n., vr., der, of van de hul; meerv. bullen. Eigenlijk, een zegel, welk men aan openbare oorkonden pleegt te hangen. Verder, eene met zulk een zegel verzicnc oorkonde : eene paufelfke hul. Hij had eene bul, als meester in de regtem Het behoort, ongetwijfeld, tot

het

Sluiten