is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vijfde en drie volgende hoofdstukken uit Paulus brief aan de Romeinen, verklaard.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII. HOOFDSTUK.

daar dit woordjen voorkomt, wordt het in dien zin gebruikt. Zoo is het van de Onzen vertaald 2 Thesfal. I: vs. 6. ; en zoo moest het ook van hun overgezet zijn op andere plaatzen; onder anderen 1 Petr. II; vs. 3., daar buiten twijffel het laat/ie lid vart het gemelde vs. niet moet vertaald worden, 20 gif anders gefmaakt hebt, dat dé Heere goedertieren is; (zoo dat Petrus daar aan de perfoonen , aan welken hij fchrijft, eenigen twijffel zoude laaten blijken, of zij wel Gods goedertierenheid gefmaakt hadden) maar, gelijk uit het voorige ten klaarftert blijkt : Naardien gij gefmaakt hebt, dat dé Heere goedertieren is. Men vergelijke, het geert Petrus zegt Hoofdftuk lx vs. 6 — 8.

Paulus verklaart dan aan de Romeinen t dat de Geest van God in hun woont; en dit hun voorregt geeft hij op, als een bewijs, dat zij niet waren in het vleesch, maar in den Geest. De inwooning van den Geest in de geloovigen, is die allernaauwfte, doch met opzigt tot de wijze, hoe, geheel onbegrijpelijke gemeenfchap van den gemelden aanbiddelijken Perfoon, met de geloovigen, door welke Hij in hun, als zijne tempelen, woont, oü zulk eene wijze, als ons lighaam eene woonplaat* Gs Is