is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de goddelyke eigenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALOMTEGENWOORDIGE XVII. Verh. 247

altegcmvoordig, omkeeren , en zeggen: Gode is alles tegenwoordig, of wanneer men zegt, gelyk 'er in eenen gezonden zin, en overeenkomftigmee het Woord gezegd kan worden, dat het Heel al in God is, dat zich dan geen onderfcheid tuflchen eene tegenwoordigheid van Gods Weezen , en eene tegenwoordigheid van zyne Eigenfchappen, en derzelver werkingen laat ontdekken: vermids men dan eenvouwig denkt aan eene tegenwoordigheid van Gods Weezen, die door zyne Eigenfchappen en derzelver werkingen openbaar wordt: en niemand deeze uitdrukkingen in dien vreemden zin zal opvatten , als of daardoor betekend wierd, dat de weereld voor, of aan Gods krachtige werkingen tegenwoordig was, welke werkingen van Gods Weezen moeiten onderfcheiden worden. Maar dat het Heel-al een voorwerp is van Gods werkzaame Weezen, is de zin van beide uitdrukkingen , Gode is alles tegenwoordig, en God is Overaltegenwoordig , zoo dat het in de zaak op het zelfde uitkomt, hoe men het uitdrukt. Dit dient dan ook ter beveiliging van de Stelling die wy verdedigen.

Hiertegen Itrydt nu geerzins, dat wy boven onderfcheid maakten tuflchen Gods Onmiddelykeen Middelbaare tegenwoordigheid. Want dat onderfcheid is niet in Gods Tegenwoordigheid, maar in onze wyze van denken en gewaarwording gelegen. Die middelyke tegenwoordigheid zegt geenzins eenen tuffchenltand en afgelegenheid tusfchen God en de voorwerpen zynet werkzaamheid, Q 4 of