is toegevoegd aan uw favorieten.

Alle de werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

KOEK.

VIL Hoofdft.

216 JOODSCHE WETTEN.

hoedanig onze Wetgeever bevolen heeft, dat wy ons jegens vreemdelingen moeten gedragen ; waar uit blyken zal , dat hy zeer zorgvuldig geweest is, op dat wy, in 't onderhouden der wetten, door onzen ommegang met hen, niet mogten verflaauwen, of zo liefdeloos zyn , dat wy hun 't navolgen derzelver zouden misgunnen. Hy beveelt ons dan, dat wy zodanigen, die onze Wetten willen omhelzen, goedgunstiglyk zullen ontvangen; om dat de eenigheid onder de Menfchen niet zo zeer daarin beftaat, dat men van eenerlei landaart, als wel, dat men van één en 't zelfde gevoelen is, en in de manier van leeven niet verfchüt. En belangende de Vreemdelingen, die maar doorreizen; hy ftaat niet toe, dat wy hen in onze plegtigheden betrekken; maar wil echter, dat wy hun behulpzaam zullen zyn met het geen noodig is, en dat wy niemand vuur, water, fpys, begraavenis, en aanwyzing van den weg weigeren. Hy ftrekt zyne goedaartigheid ook tot de vyanden uit: want hy verbiedt ons, hun land in den brand te zetten, hunne fruitboomen af te houwen, de verflagenen in een gevecht uit te fchudden, en de gevangenen, inzonderheid de

vrouwen, kwalyk te handelen. Hy

is zo zorgvuldig geweest, om ons goedaartigheid en zachtzinnigheid in te boezemen, dat hy ons beveelt', die ook tegens de onvernuftige dieren te betoonen: hy laat ons niet anders dan een behoorlyk

gebruik