is toegevoegd aan je favorieten.

De invloed en uitwerking van het christendom, op de vorming en den toestand der volkeren van Europa.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gregorius den zevenden. 253

in hetzelve moest aanneemen (*). Zoo ver was de oude inrigting veranderd, en men afgeweeken van het denkbeeld, dat de Kloosters en derzelver Abten alleen onder den Bisfchop ftonden. Nu kreeg men deze Domheeren, die, volgends hunne eerfte inrigting, niets anders dan Kerkendienaaren waren; die zich bij de Bisfchoppen ophielden, en in de registers der Kerke waren opgefchreeven, om hun onderhoud uit dezelve te genieten (f). Dezen gingen thands, in hunne trotschheid, zoo ver, dat zij zelfs mededingers van den Paus wierden, en hem, bij de verkiezing van Bisfchoppen en Domheeren , geheel uitflooten (§). Dit was eigenlijk een gevolg daarvan, dat de Kapittels zoo veele Landerijen en zulke groote rijkdommen hadden, waarom de Waereldlijken zich beijverden om de prebenden te genieten, door welker bezit zij Heeren en Meesters van lijfeigene menfchen wierden. Maar wie kan zich deze inrigting voordellen, zonder daar bij te gelijk aan de Leensgebruiken, en derzelver gevolgen te denken? Kent men daarentegen dezen, dan weet men, hoe het zoo ver kwam, dat de Adelijken zich geheel alleen het recht aanmaatigden van ftem eu

zit.

(*) Ibid. ex ftatutis ecclef. Ultrajedlinaj apud Anthon. Matthside nobil. Lib. II. c. 39. epifcopus noftervocem in capitulo noftro non habet, quamvis canonicus noffer prabendatus exiflat; vocatus tamen per Decanum noftrum vel Wees ejus gerentem, ad capitulum venire debet.

Ct) Boehmer. 1. c. Lib. III. Tit. I. §. R.

(§) Ibid. Marca Conc. S. & I. Lib. III. c. 16.