Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene daad te plegen, waarvoor wij ons later zouden moeten schamen. Vic.tor Hugo verhaalt ons in een zijner schoonste gedichten, hoe een machtig despoot de stad doorkruist, op zijn met edelgesteenten beladen ros gezeten en omstuwd door eene menigte vleiers, die het voorhoofd in het stof buigen voor zijne grootheid. Slechts een der omstanders, een in lompen gehuld man, staart den verdrukker met onversaagde blikken aan, zijn hoofd kromt zich niet, al weet hij ook dat die vermetelheid hem straks het leven kan kosten. De vorst is verbaasd, maar zelf dapper zijnde, mishaagt de stoutmoedigheid van dien bedelaar hem niet, en hij werpt hem een goudstuk toe; maar de schamel gekleede man verroert zich niet, en als de tiran de teugels van zijn telganger inhoudt, en hem vol verwondering vraagt, waarom hij het geld, dat voor hem toch zooveel als een schat zou vertegenwoordigen, niet aanneemt, antwoordt hij : „II faudrait se baisser."

Dat „il faudrait se baisser !" moet in alle omstandigheden, die zouden kunnen dreigen ons tegen ons eergevoel te doen zondigen, in onze ooren klinken; en in welken moeielijken pas wij ook mogen geraken, zullen wij steeds het recht behouden, met Frans I uit te roepen: „Tout est perdu, fors l'honneur !"■ Al bleven wij dan ook arm als de mieren en van een ieder verlaten over, dan nog zouons lot duizendwerf schooner wezen, dan wanneer wij bij onszelven moesten erkennen, dat alles gewonnen werd, maar ons eergevoel alleen werd verloochend. Ik weet zeer goed dat het geenszins gemakkelijk valt in alle opzichten aan de gestrenge wetten van het eergevoel te beantwoorden, maar niettemin is zulks onmisbaar, zoo wij eenige achting voor onszelven willen behouden, en niet tot een laag peil als mensch willen geraken. Zoo mag er bijvoorbeeld geen bedenking van welken aard ook bestaan, die u eene beleediging doet aannemen. Gij zult ten allen tijde wel doen, met er u niet over te wreken, dat spreekt natuurlijk vanzelf; maar al waart gij ook door en door arm, en bij een koning te gast, wanneer die koning zich genoegzaam vergat om u een hoon aan te doen, dan zoudt gij uwe lompen om de leden moeten gorden, en het paleis verlaten, waar gij wellicht brood zoudt hebben gevonden, indien gij u den hoon hadt laten welgevallen. Natuurlijk is het voor rijken veel lichter om hun eergevoel vlekkeloos te bewaren, dan het voor armen en loontrekkenden zijn kan, maar des te schitterender kroon spant het on¬

geschonden eergevoel dan ook om de slapen der misdeelden in deze wereld. U we jeugd leere het nu reeds op prijs stellen als een onmisbaar kleinood; en uwe hand drage het over alle klippen en afgronden, hoog in de lucht geheven als die banier, waarvan de geschiedschrijver ons spreekt, en die tot devies de woorden droeg: „Je le tiens hault 1"

HUISELIJKHEID.

VERVOIjG VAN MIJIIE'S DAGBOEK.

5 Februari. Langzamerhand gevoel ik mij hier geheel thuis, en mij dunkt, dat ik weêr een weinig gelukkig kan zijn. Wij spreken nu dikwijls 's avonds over mama, en ofschoon ik het niet. zonder aandoening kan doen, geschiedt het toch zonder wanhoop : „God schikte het zóó, zijn wil geschiede." Deze woorden zeg ik en schrijf ik neêr zonder dat een hevige opstand mijn gemoed beweegt. Uit de brieven van thuis bemerk ik dat men mij daar heel goed kan missen; dat hindert mij wel een beetje, maar mevrouw Kruger zegt : eigenlijk kan iedereen ge-mist worden, en zoo wij dat niet gaarne aan onszelven bekennen, is het uit hoogmoed. Zij heeft wel gelijk, het zou mij zeer gestreeld hebben zoo papa geschreven had : „We kunnen het niet zonder je stellen, de jongens en Annie vragen telkens naar je," en dit is toch louter eigenliefde van mij, want ik moest blij tvezen dat het thuis zoo goed gaat, dat zij daar gelukkig zijn zonder mij: ik moest mij verheugen als het anderen wel gaat, zelfs al draag ik er niets toe bij.

6 Februari. Eigenlijk is Annette heel anders als ik, en ik begin te gelooven dat ik een heel ongelukkig karakter, ziel, of hart (hoe zal ik het noemen ?) bezit. Annette is veel kinderlijker, ik zal maar zeggen veel beter; zij heeft niet zooals ik zoo'n ongedurigheid, zoo'n onrust; het is waar, zij heeft nog haar lieve moeder en ik niet meer, maar toen mama leefde, was het net zoo. Mevrouw Kruger is voor Annette niet alleen eene moeder,maar eene vertrouwde, eene oudere zuster, eene intieme vriendin. Och ! had ik maar een vriendin die ik heel lief kon hebben, dat mis ik; Annette heeft die behoefte niet zoo, en zij is altijd met hare moeder; Jenny is meer op zichzelve ; zij spreekt weinig en de omgang met Lize is haar voldoende; maar ik... ik heb niemand! Wat zwaarmoedige gedachten ! Ik zal maar naar bed gaan, wie weet wat morgen gebeurt.

7 Februari. Had ik gisteren een voorgevoel dat er iets gebeuren moest ? Annette was dezen middag uitgegaan om zooals gewoonlijk een paar arme huisgezinnen te bezoeken. Mevrouw wilde niet dat ik meê ging, zij vond dat ik bleek zag, en zij ging zelf ook niet omdat zij rheiimatische pijnen had. Gewoonlijk is Annette vóór vier uur thuis ; maar van daag werd het kwart over

vieren en half vijf, zonder dat Annette kwam ; mevrouw werd ongerust en zond de meid uit; wij maakten met ons tweeën allerlei gissingen en vergaten de lamp op te steken. Omstreeks vijf ure werd er hevig aan de voordeur gescheld ; ik weet niet welk een akelig voorgevQel zich op eens van mij meester maakte, doch ik wilde niet toelaten dat mevrouw mij naar voren zou vergezellen; ik poogde te glimlachen en haar te doen gelooven dat zij mij bepaald beleedigen zou, indien zij mij voor zulk een klein meisje scheen te houden, dat 's avonds niet eens alleen open durfde te doen ; en met kloppend hart snelde ik heen.

Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat zich op dat oogenblik aan mijne oogen voordeed. Het was nog niet geheel en al donker op straat, en bij dat zwakke schemerlicht, en den bleekrooden schijn van een verwijderde gaslantaarn, zag ik een heele menigte lieden om eene menschelijke gestalte geschaard, die op een gewone handkar neerlag. Een man met ruw, doch goedhartig gelaat stond aan de deur en vroeg :

„Is het niet hier dat mevrouw Kruger woont ?"

„Ja," gaf ik bevend ten antwooid.

„'t Is maar," hernam hij : „dat ze de juffrouw daar straks overreden hebben, en haar eerst naar het gasthuis wilden brengen, omdat niemand wist te zeggen wie zij was; maar onderweg kwamen wij een slagersjongen tegen, die verzekerde dat ze hier thuis hoorde."

„Is... is ze dood?" stamelde ik, terwijl ik mij aan de deur moest vasthouden om niet neêr te zinken van ontzetting.

„Dat is juist wat wij niet precies weten. Er kwam een zware wagen aan, waarvoor zij wilde uitwijken, en toen zag zij niet dat er een rijtuig aankwam, waar ze onder raakte alsof het niets was. Toen men haar opraapte, lag ze al net zoo onbewegelijk als nu. Gelukkig stond ik daar toevallig met mijn kar, en reed haar terstond raar den dokter, maar die was niet thuis, en toen wisten we er niets beters op dan haar maar naar het gasthuis te brengen, om daar te zien of er nog leven in was, maar toen we hoorden dat ze hier woonde, zijn we maar weêr van weg veranderd, en hierheen gekomen.-'

„De meid is uit om baar te zoeken." bracht ik met moeite uit : „en ik durf het hare arme moeder niet zoo op eens zeggen ; als u mij dus behulpzaam zoudt willen zijn om haar voorzichtig in het spreekkamertje, hier naast de deur, te dragen, dan zal ik u gaarne voor uwe moeite beloonen."

De man was terstond bereid aan mijn verzoek te voldoen, en ik moet bekennen dat hij zoo zacht mogelijk met de arme gekwetste te werk ging. Binnen vijf minuten lag zij op de groote, ouderwetsche sofa der zijkamer uitgestrekt, en nu haalde ik mijn beursje te voorschijn en gaf ik hem al wat er nog iut was, ƒ 2,25, hem alleen nog maar ver-

Sluiten