is toegevoegd aan je favorieten.

Goudland; tweewekelijks tijdschrift voor de katholieke welpen en verkenners van Nederland, jrg 4, 1937-1938, no 11, 07-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

konden eten. ’t Was, alsof er een brok voor de keel zat.

„Kom jongens, dooreten,” maande Oom Joseph, „mijn verhaal heeft jullie eetlust toch niet bedorven; als dat zo is, vertel ik nooit iets meer.” Met geveinsd enthousiasme wierpen de vrienden zich op hun boterham, maar al hun aandacht en hoopwas gevestigd op nog meer inlichtingen. Oom had zijn verhaal blijkbaar geheel geëindigd en wilde over iets anders gaan praten. Dat moest voorkomen worden. Haastig vroeg Kees, terwijl hij zijn mond nog half vol had; „Daar is die Terstalen zeker lang mooi mee, oom?” „Nu, dat kan meevallen; misschien is hij na een paar dagen weer de oude, ’k zal vandaag nog eens naar hem gaan kijken.” „Hij woont in elk geval dichtbij,” zei Kees. „Hoe weet jij dat?” was het snelle antwoord van Oom, „ik heb jullie toch niet verteld, waar hij in de kost is?” Dat was een stomme zet van Kees. Een fout, die misschien niet gemakkelijk te herstellen was. Maar gelukkig was Bob er ook nog, die inplaats van zijn vriend antwoordde; „Toevallig vertelde juffrouw Anna ons gisteren het verhaal vaneen diefstal, waarin een neef van uw patiënt betrokken was. Zij noemde toen ook Jan Terstalen, die zij eerder tot een slechte daad in staat achtte.” Oom Joseph fronste de wenkbrauwen, als ergerde hij zich aan de praatjes van zijn goede, maar babbelzuchtige huishoudster. „Zo, zei juffrouw Anna dat?” zei hij enigszins spottend. „Dan is het maar goed, dat ze niet van de politie is, Jan Terstalen zou het dan wel eens lastig gemaakt kunnen worden.” „Nou!” was Kees’ bescheid, maar zijn mening was op andere gegevens gebaseerd dan die van zijn Oom. Deze ging door en vertelde, hoe Jan eigenlijk geen opvoeding genoten had, hoe zijn ouders zeer jong gestorven waren en hij dan bij deze, dan bij gene enige jaren had doorgebracht. Tenslotte was hij, volwassen geworden in zijn tegenwoordig kosthuis beland, waar hij heus niet tot het goede werd aangespoord. „Als ik iemand van iets slechts moest verdenken,” besloot hij, „dan zou het de kostbaas van den jonge man zijn; dat is een dronkaard, iemand, die al een keer inde gevangenis gezeten heeft.” Inmiddels was het ontbijt geëindigd en stond Oom Joseph op om zijn dagelijkse tocht langs zijn patiënten te gaan ondernemen. „Wacht, dat zou ik vergeten te vragen. Gaan jullie vanmiddag met me mee? Ik heb een vrij verre tocht te maken, zo’n ritje zal jullie wel aanstaan, denk ik.” „Graag, Oom.” En de dokter verliet de kamer met een „tot straks

dan,” ging naar de garage, startte zijn auto en reed enkele ogenblikken later de oprijlaan uit. De jongens bleven inde eetkamer achter. Het was hun geraden eens rustig te overwegen, wat hun nu te doen stond. Bob nam direct het woord en gaf als zijn oordeel te kennen, dat ze van Jan’s invaliditeit moesten gebruik maken en zo spoedig mogelijk een onderzoek naar het gestolen geld in stellen. Onmiddellijk betuigde Kees zijn instemming, maar voegde er aan toe: „Is jouw mening over Jan niet een beetje veranderd na het verhaal van Oom Joseph?” „Als ik ’t eerlijk moet zeggen: ja. Ik heb zo’n idee, dat die kostbaas ook in het geval betrokken is en misschien zelfs Jan de kastanjes uit het vuur laat halen.” En Bob zette uiteen, hoe vreemd hij het vond, dat de kostbaas nog niet ter ruste was, toen zijn kostganger thuis gebracht werd. Zat hij misschien op hem te wachten? Plotseling sprong de jongen op van zijn stoel en schreeuwde het haast uit: „Zeg Kees, misschien heeft Jan Terstalen gisterenavond het geld wel weggehaald!” Kees keek hem verstomd aan. Stel je voor, dat Bob gelijk had. Welk een teleurstelling zou dat voor hen zijn. Bob was weer rustig geworden en zei: „ In elk geval moeten we zo spoedig mogelijk zekerheid hebben. Deze middag is voor ons werk verloren. Er zit niets anders op, dan dat we nu vóór 12 uur het huis van Louis gaan bezoeken.” Dat was juist iets voor Kees; die hield van handelen en was blij, dat zijn vriend er nu ook zo over dacht. „Er is natuurlijk een moeilijkheid,” zei Bob. „Als er mensen op de weg zijn, kunnen we het huis niet naderen. We hebben kans, dat we vrij lange tijd nodig hebben, voor het veilig is op straat.” „Dan verbergen we ons zo lang,” was Kees antwoord. „Laten we nu maar meteen gaan; hoe vroeger we zijn, des te minder mensen zullen we ontmoeten.” „Vooruit dan maar; maar wat doen we met Louis?” Ja, dat was niet gemakkelijk. Wanneer zouden ze nu Louis moeten opzoeken? Kees’ optimisme won het van Bob’s bezorgdheid. Ze hoopten, dat het onderzoek in het huis vrij gauw beëindigd zou zijn. Als ze zich dan haastten, zouden ze Louis nog vóór het koffiedrinken kunnen spreken. De beide vrienden verlieten de eetkamer en begaven zich kordaat op weg naar het huis van den onschuldig verdachte. Zouden ze eindelijk de oplossing van het raadsel naderen? (Wordt vervolgd).

246