is toegevoegd aan uw favorieten.

Goudland; tweewekelijks tijdschrift voor de katholieke welpen en verkenners van Nederland, jrg 6, 1939-1940, no 7, 02-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoner en edeler was dan Koning Arthur. Dan nam hij zijn jachthoorn en gaf zelf het teken, want hij verlangde ernaar in het woud te zijn. Al zijn ridders volgden hem en Gawein reed naast den Koning. Zo kwamen ze bij het grote woud van Gorinde. ’t Meest van allen deed de Koning zijn best het

hert op ’t spoor te komen en toen hij naar alle kanten omzag, bemerkte hij het, weidend langs een rivier. Hij richtte zich op inde stijgbeugels en wees het Gawein, al zijn ridders wees hij het. Toen werden de honden losgemaakt en de jachthoorn klonk, dat de bossen ervan weergalmden. Verschrikt sprong het hert weg en vluchtte langs de rivier, achtervolgd door de honden en jagers. Ver vooraan galoppeerde de Koning. Reeds lange tijd duurde de achtervolging, maarde honden naderden het hert. Plotseling nam dit echter een sprong en verdween in het hoog opspattende water van de rivier, ver aan de overkant kwam de kop met het grote gewei weer te voorschijn; het zwom naar een laag oeverstuk en verdween in het woud. Enkele honden waren het nagesprongen. Haastig zocht de Koning een doorwaadbare plaats en aan de overkant gekomen zochten de jagers het spoor weer op en volgden het. Toen ze echter bij een beek kwamen, raakten de honden het kwijt en toen na lange tijd zoeken Perchevael het spoor weer vond, ver stroomafwaarts, hegon de avond te vallen. De Koning nam zijn drinkbeker, die van fijn goud vervaardigd was en kunstig versierd; „Deze beker en mijn bewondering bullen de prijs zijn voor hem, die het witte hert huit maakt, want bossen noch rivieren, dag noch Uacht zullen aan deze jacht een einde maken”. Zo brachten de ridders de nacht dan door inde donkere bossen van Gorinde; gewikkeld in hun tuantels en sliepen ze rond het wachtvuur. ’s Morgens heel vroeg begon de jacht weer, maar opnieuw vergeefs: Telkens wist het wonderlijke hert honden en jagers te ontvluchten, De derde dag waren ze reeds ver van Cardoel verwijderd, in een vreemde streek. De jagers hadden zich verbreid en zo reed ook Perchevael, de jonge ridder, hechts van zijn schildknaap en zijn hond vergezeld, door de hoge bossen tot ze uitkwamen op een holle Weg. Daar schoot plotseling de jachthond in, en Onmiddellijk daarop klonk een woedend geblaf. Perchevael blies de hoorn en van alle kanten klonk het antwoord en het geblaf der honden. Het hert Was weggevlucht, maar ontmoette op zijn weg telkens andere honden en ten laatste wierp het zich Weer inde holle weg. Daar stond nog steeds Perchevael verborgen achter de bomen. Aan het einde van de weg kwam het hert aangestormd, een tros van honden sleepte het achter zich aan. Midden op de weg sprong nu Perchevael, rustig en zeker, de

kruisboog aan de schouder. Verschrikt stond het hert, één ogenblik, trillend stil. Dit was voldoende: ruisend vloog de pijl van de boog. Perchevael greep zijn jachtspriet, maar het was niet meer nodig: wankelend stond het hert nog even, dan stortte het neer. Perchevael snelde toe en ranselde met zijn jachtspeer de honden weg van het hert, dan greep hij zijn hoorn en jubelend klonk het jachtlied door de bossen van Gorinde. Veel lof en eer viel Perchevael ten deel. De koning dronk hem toe en schonk hem zijn eigen gouden beker. Lang nog zaten de ridders bijeen, toen de avond viel, en rond het opvlammend vuur vertelde Gawein jachtverhalen uit lang vervlogen tijden. De volgende morgen reden zij terug naar Cardoel. Toen ze reeds een grote afstand hadden afgelegd, kwamen ze ineen dal gereden en daar zagen ze voor zich een groot, zwaar blokhuis. Het was gebouwd op een steile terp en omgeven met een omheining van hoge, aangepunte palen; een zware toren was gebouwd boven de poort, die de enige toegang vormde: de bewoner behoefde voor geen overval bevreesd te zijn. Van dezen bewoner zal ik niet veel zeggen. Hij heette Somiled en was zeer rijk, al het land tot ver inde omtrek was van hem. Hij had een vrouw, die van veel hoger afkomst was dan hijzelf, haar vader was een ridder geweest, die uit verre landen was verjaagd. Hij had ook drie zonen, die groot en sterk van lichaam waren en welgebouwd. Hard moesten ze werken, heel de dag. Somiled deed ze vroeg opstaan en de twee oudsten dreven het vee naar buiten, ver van huis langs de rivier. De jongste heette Fergund. Hij spande het paard voor de ploeg en, wanneer hij zo over het veld ging, kon men het hem kwalijk aanzien dat hij de zoon was vaneen rijk man. Koning Arthur reed met zijn ridders langs het huis: met bewondering keek hij naar de hoge toscu, naar de forse omheining en het grote gebouw.

157