Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of de kardinaal Alexander vraagt hem: herroept ge of niet? maar Luther antwoordt:

Ik blijf 't geweten trouw. Hier is het, dat ik sta, Ik kan niet anders, neen! God helpe mij!

Zie daar de protestant, die alleen vraagt, wat het geweten gebiedt, omdat hij vrij tegenover zijn geweten en daardoor vrij tegenover zijn God wil zijn, omdat hij weet, dat hij dan alleen vrede met zijn God kan hebben, als hij vrede heeft

met zijn geweten. ^

Moet er nog eens een opwekking zijn, laat t dan die van Paulus zijn: Protestanten staat vast in de vrijheid, en laat u niet weder onder het juk der dienstbaarheid brengen. leiden. s- kl'tscii lojenga.

Professor Huxley over de verspreidingvan den Bijbel.

„Tot groote verwondering van vele van mijne vrienden heb ik altijd het lezen van den Bijbel zeer aangeraden en de verbreiding van die merkwaardige verzameling boeken onder het volk toegejuicht. Haar lessen zijn zoo oneindig beter dan die van degenen die thans even als de Phariseeers van voor 1800 jaren bezig zijn ze te verbergen onder de voorschriften van menscheu: ik ben er volledig zeker van, dat de Bijbel in zich zelf de wederlegging bevat van 9/10 van het mengsel van sophistische philosophie en ouderwets bijgeloof dat door de Christenen van later tijden er over heen is opgebouwd; het is mij volkomen duidelijk, dat het eenig onmiddellijk werkend en krachtig tegengif tegen liet met het Christendom vermengde venijn is gelegen 111 ruime stralen van dien levenden springader. Daarom doe ik een beroep op het verstandig oordeel vai; een ieder om hierin mijn voorbeeld te volgen. Indien Protestantsche missionarissen het Nieuwe Testament in de Zoeloetaal vertolken, moet men toch kunnen aannemen dat een Zoeloe-bekeerling in staat is uit den inhoud al de waarheden te ontleenen, die hij noodig heeft te gelooven. Ik hoop in dit opzicht op gelijke lijn te mogen staan als de Zoeloe/'

Professor Huxley gelooft bijv. niet aan het geschiedkundig feit der opstanding, doch daarom zijn zijne woorden te merkwaardiger in vergelijking met de pogingen van anderen, die denken als hij, om de lezing van den Bijbel te ontraden.

Portretten van Menno.

Geachte Redacteur!

Naar aanleiding van wat in „de Zondagsbode geschreven is over het portret van Menno Simons, bericht het bestuur van het Priesche Genootschap voor geschied.- oudheid- en taalkunde aan de lezers van deze Courant, dat in het Museum van genoemd genootschap te Leeuwarden eene groote en belangrijke verzameling van afbeeldingen van Menno Simons aanwezig is, die door het bestuur gaarne aan eiken belangstellenden bezoeker zal worden aangewezen.

Met hoogachting heb ik de eer te zijn,

Geachte Redacteur!

Uw dw. dienaar G. H. v. Borssum Waalkes, Huizum, lid des bestuurs vn.

21 Nov. 1889.

daaraan nog eens te worden herinnerd. Onder deze „woorden van wijzen" zal hij zeker menig wijs woord vinden.

Laurillard is een oude bekende. Hij heeft den naam van vooral in 't vinden van woordspelingen, het bedenken van korte en puntige gezegden, dikwijls zeer gelukkig te zijn. Natuurlijk gaat dat niet altijd even goed. Toch is men zeker wanneer men hem dagelijks hoort er telkens woorden te zullen ontmoeten, die men niet vergeet En wat wil men meer? Ziehier een paar : Veler gebrek komt eenvoudig van hunne gebreken.

Die zich zeiven niet wil wegwerpen, moet wegwerpen wat hem bederft.

Gek te zijn vinden velen minder bedenkelijk dan er gek

uit te zien.

Beweer niet maar bewijs dat ge knap zijt, en vertel niet maar vertoon dat gij braaf zijt.

Eene hartelijke betuiging van deelneming is niet altijd een betuiging van hartelijke deelneming.

Als 't genot onzuiver is dan is zich vermaken, zich mismaken.

Maak geen treurmarsch van het leven, maar een kermisdeun ook niet.

De eerste is bij Mijs te Tiel, de tweede bij S. en W. N. van Nooten te Schoonhoven uitgegeven.

Twee Scheurkalenders.

Met een enkel woord willen wij wijzen op twee ons toegezonden scheurkalenders. De eene werd door ds. !">. J. Andriessen verzameld. Hij had de goede gedachte ons nog eens dagelijks te laten toespreken door de oude klassieken en wij twijfelen niet of velen, die juist niet dikwijls meer naar hunne latijnsche schrijvers omkijken, zal het aangenaam wezen

Het gouden feest van Ds. H. W. v. d. Ploeg*.

CD

Vijftig jaren dominé op een stil Noordhollandsch dorp, waar niet eens een rijweg doorgaat, waar niemand komt, die er niet noodzakelijk wezen moet of zijn wil, dat is inderdaad een weinig benijdenswaardig lot voor een beschaafd, ontwikkeld man.

Zoo oordeelt de wereld, maar wie met ons op den 24en November te Middelie is geweest, te midden van de feestvierende dorpelingen of in de gezellige pastorie, die weet wel beter, die heeft met ons i?ts gevoeld van de zielevreugd, die tintelde in het liart van den oudsten onzer dienstdoende leeraren, die heeft met de edelste bedoeling hem benijd, den liefdevollen en geliefden grijsaard. Hoe krachtig is zijn gestalte, hoe vast zijn stem en hoe liefelijk en bescheiden klonk die, toen hij opgegaan voor de talrijke schaar zijn tekst voorlas: »Wie ben ik, Heere lleere! en wat is mijn huis dat «o-ij mij tot hiertoe gebracht hebt?" ('2 Sam. / : 18b.) ° De 24e November 1839 was ook op Zondag. Dus op den dagaf en op dezelfde plaats waar de leeraar zijn dienstwerk had aanvaard, stond hij nu na 50 jaren, maar welk een verschil. Dankbaar mocht hij de zegeningen erkennen, die hem en zijn huis waren ten deel geworden, maar terecht wees hij er ook op, dat hij met zijn saven geijverd had, niet alsof hij tevreden kon zijn over zich zelt, maar men kon toch niet zeggen, dat er niet veel was tot stand o-ekomen en dat Middelie niet ontwikkeld was in den loop van die halve eeuw. Men moet van nabij weten wie v. d. Ploeg voor zijn dorp is geweest en hoe Middelie als met hem is saamgegroeid, om de bescheidenheid, waarmeê de leeraar zijn toespeling maakte te waar-

deeren. , , .

Hii is voor zoo velen een vader, een vriend, een broeder geweest en wij gelooven gaarne, dat er niet één is in de geheele streek, die hem geen goed hart toedraagt. Wat wonder dat dien Zondagmorgen gansch Middelie van 't eene eind tot het andere zich getooid had met de vriendelijke driekleur, om eere te brengen aan den gevierden jubilaris. Ziet, als uit den grond zijn ze verrezen, die drie eerebogen om de pastorie, waarvan den avond te voren nog niets was te zien. Hoe aangenaam werd de oude lieer er door verrast en hoe hartelijk waren die verzen op de schilden gemeend, 't Is duidelijk, men had er werk van gemaakt. Daarvoor dankte de leeraar zijn gemeentenaren en leerlingen, maar ook zijn overige dorpsgenooten die zoo trouw hadden meegewerkt. Met een mmg , .-1 .J .1 . .. ,.~a ,»w li» Plnpo- ,lp nlechtiere samenkomst, die

aanivgeueu siuut vauci »au - -—© x - .. ^ ,,

voor hem en zijn huis zoo onvergetelijk zal zijn, maar op allen dl het voorrecht hadden er bij tegenwoordig te zijn zeker een blijvenden indruk heeft gemaakt. De laatste zegenbede is uitgesproken daar stemt 'torgel met de gemeente samen in het »Dat sHeere zegen op u daal!" En nadat dit Psalmvers was aangeheven klonk een koor van kinderstemmen dat den geliefden Leermeestei < e

gende woorden toezong:

Een danktoon rijze uit ons gemoed

Eerbiedig God gewijd !

Zijn Vaderzorg heeft u behoed.

Hij schonk u kracht naar strijd.

Sluiten