is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 612, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komstig uit het Noorden van de Ver. Staten van Noord Amerika. Op onze proefvelden te Noordlaren werd in vorige jaren nooit maisroest waargenomen, wel echter komt de maisroest in ons land reeds zeer lang voor, en in 1937 werd ze op verschillende plaatsen in Nederland waargenomen; ook in Groningen trad ze hier en daar vrij sterk op. Ofschoon de op het proefveld te Noordlaren verrichte waarnemingen wijzen op de mogelijkheid van overbrenging der ziekte met het zaad van Gehu mais, moet er op worden gewezen, dat men bij roestzwammen dikwijls ten onrechte uit veldwaarnemingen heeft afgeleid, dat overgang met het zaad zou plaatsvinden. Nader onderzoek heeft dan soms andere infectiebronnen aan het licht gebracht. De maisroest is een tweehuizige schimmel, die slechts zijn uredoen teleutosporen op mais vormt; de pycniden en aecidiën ontwikkelen zich op Oxalis corniculata en Oxalis stricta, waarvan de laatste in de omgeving van Noordlaren voorkomt. Dit plantje is echter niet in deze waarnemingen betrokken. De donkerbruine sporenhoopjes vallen sterk op, ze zijn veel grooter dan bij de andere graanroesten het geval is; de aangetaste bladeren sterven vroeger af en de plant maakt de indruk van vroeger rijp te worden. Of de opbrengst ook onder deze roest te lijden heeft, is niet door ons vastgesteld kunnen worden. Gedurende de maand Augustus werden door Ir. J. J. Manschot enkele waarnemingen gedaan, er werden andere veldjes met meer of mindere graad van roestaantasting gesignaleerd en deze waarnemingen wijzen er sterk op, dat de besmetting is uitgegaan van het genoemde Gehu veldje. Het leek ons van belang om eenige opmerkingen over dit geval van roestverspreiding op een proefveld mede te deden aan de hand van bijgaande plattegrond (bl. 453), waarin de mate van uiteindelijke aantasting met stippen is weergegeven. De bemestingsgraad is vet omlijnd. Beziet men de figuur, dan valt het inde eerste plaats op, dat de verbreiding naar de Oostkant veel sterker is geweest dan naar de Westzijde. Het ligt voor de hand, dat deze verbreiding vrij sterk onder den invloed staat van de Westenwind. Naar de Oostzijde is de verbreiding minstens 65 m ver gegaan. (De lengte van het heele proefveld was ± 105 m en de breedte ± 13 m. De veldjes waren 3.6 X 6 m). Voorts constateert men vanaf de besmettingshaard een sterke afname van de aantasting van de roest zoowel naar het Oosten als naar het Westen. Ten einde een wat zuiverder beeld te krijgen kunnen wij gebruik maken van de mate van aantasting op het ras Mecklenburger. Dit vroege en blijkbaar zeer vatbare ras diende op het proefveld als standaard en kwam op zes plaatsen voor. Het dicht bij de haard gelegen veldje Mecklenburger was zeer sterk aangetast, twee in Oostelijke richting + 25 m van de haard verwijderde veldjes waren sterk aangetast en het verst verwijderde veldje (65 m) aan den Oostkant was matig aangetast. Aan de Westzijde zien wij een veldje met geringe aantasting op ± 15 m verwijderd en een niet aangetast veldje dat ± 35 m van de haard verwijderd was. De mate waarin de Mecklenburger door de roest is aangetast, naar Oost en naar West sterk verminderend, geeft een regelmatig beeld, en het is als het ware een uitnoodiging

452