is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 1, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WIND ALS BEWEEGKRACHT.

rekende dat, zeer in het algemeen genomen, de gemiddelde kosten van 1 paardekracht in 1 uur zijn: Voor menschelijken arbeid als b.v. bij het draaien vaneen slijpsteen of dergelijk werktuig / 1 80 Voor die vaneen paard ineen rosmolen 0.58 " een watermolen (waterkracht) „ 0.35 * een locomobile (stoomkracht) o. 19 •> den wind (windkracht) q. 09 De windkracht als eenheid aangenomen heeft men dus de verhoudingen 1:2: 4 : 6 : 20, d.i. de kracht vaneen mensch komt 20 maal (bij hooge dagloonen en bij sommige bewerkingen zelfs 60—80 maal) hooger in prijs te staan, dan die door den wind opgeleverd. Bovendien zou het thans onmogelijk zijn om al het werk, dat nu door den wind voor ons gedaan wordt, met menschenhanden verricht te krijgen; zelfs de stoomkracht is thans onmisbaar geworden. Dit gebrek aan arbeidshanden in Amerika, vooral eenige jaren geleden, was oorzaak, dat de praktische geest der Amerikanen er op uitwas, om van de genoemde goedkoope natuurkracht partij te trekken, vooral in gevallen, waar niet genoeg werk was voor een stoommachine. De zoogenoemde wiudmotoren, waarvan eender nieuwste vindingen in onze figuur is voorgesteld, waren daarvan het gevolg. Het was vooral Halladay, die in deze eenvoudige en betrekkelijk goedkoope werktuigen aanmerkelijke verbeteringen heeft aangebracht; zij zijn dan ook onder den naam van windmotoren van Halladay het meest bekend. Hoewel niet nieuw meer en ook in ons Vaderland (o. a. bij het spoorwegstation te Zutfen) hier en daar in gebruik, zijn zij toch nog niet zoo algemeen bekend, dan dat een korte beschrijving er van, in dit Maandblad misplaatst zoude zijn. Voor landbouwgebruik hebben zij vooral in Duitschland opgang gemaakt, waar ze o. a. moeten dienen zoowel voor het in beweging brengen van haksel- en wortelsnijders, van werktuigen voor het breken en kneuzen van voederkoeken of van graan en boonen, als tot het malen van graan en tot het oppompen van water ten dienste van vloeiweiden en droogmaken van landerijen. De voornaamste verbeteringen, vergeleken bij de gewone oude windmolens, en waardoor zij ook voor algemeen gebruik geschikt zijn geworden, bestaan inde volgende: le kan er ook met zeer weinig wind mede gewerkt worden; 2e het richten naar den wind, wanneer deze verandert, behoeft niet door menschen te geschieden, daar het werktuig dit zelf doet; 3e ook bij sterken wind wordt door eenvoudige, maar niet minder vernuftige inrichtingen, zonder hulp van menschenhanden de werking geregeld. De beide laatstgenoemde verbeteringen maken het o. a. mogelijk, dat een graanmolen b.v. 6 uren achtereen zonder eenig toezicht kan blijven doormalen, temeer, daar het werktuig zelf veiligheidshalve van eene inrichting voorzien is, die een schel doet luiden, wanneer mogelijkerwijze de steenen bijna ledig geloopen mochten zijn. De wijzen, waarop de nieuwe windmotoren en voornamelijk de windvleugels of raderen zijn ingericht, zijn zeer verschillend. Bij alle wordt aan den wind een grooter oppervlakte aangeboden dan

8