Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

kunst" geworden, een belangrijk deel van zijn werk begon.

Dokter wezen, hij kon 't zoo goed. Hij was het immers ook in eigenlijken zin. Tot zijn beroep en roeping van gezondmaken behoorde menschen kennen, vrienden hebben in eiken stand, opbeuren, opfleuren, moed en zelfvertrouwen geven. Hij zal wel beter dan Potgieter geraakt hebben als hij hartelijk uitvoer en aanspoorde :

Wat suf je, jong Nederland! Wat sluimer [je dan?

Waarachtig, 't is zonde, 't is schande, ■— Net of je geen tien nu tellen meer kan Te water en ook te lande? Kom, sla uw hand, en fiksch genoeg, Om zwaard, om roerstok en om ploeg Tot heil van 't lieve vaderland!

Als geen ander bracht hij van onze componisten volksgevoel, nationaliteitsbesef en stamkarakter te voorschijn. Van hem is J. J. Viotta's Zilvervlootlied, van hem Smits' Vlaggelied, van hem ieder kinderlied en huiselijk lied waarin Verhulst nog leeft. En, had dat aan hem gelegen, elk oratorium zou bij „Toonkunst" in onze taal zijn gezongen : daarvoor toch zeker en niet om Nederlandsch te laten lezen onder 't hooren van het in dien kring welgekende Duitsch maakte hij metrische vertalingen op de muziek. Reden om ze te gebruiken gaf althans Handel's nu nog ten onzent door Duitsch vervangen Engelsch ; hoeveel ware toen met dat begrip gewonnen, ook voor onzen solozang! Ze werden versmaad. Maar niet vergeefs en meer waard ook dan zijn pogingen om door teksten het oratoriumcomponeeren te bevorderen was 't geen hij deed ten behoeve van kleine koren. Die danken hem een instelling waarop een groot deel der verdienstelijkheid van de Toonkunst-maatschappij berust: het instituut, dat eerst Koraalvereeniging heette, naderhand de Koorvereeniging werd en aan honderden zanggezelschappen vooral

ten plattelande, levensmogelijkheid en ontwikkelingskansen schonk met goed en goedkoop musiceermateriaal, zooveel mogelijk naar hun door correspondenten geuite wenschen. Een studiemethode voor de leiders heeft in overleg met hem zijn vriend Smits, de componist van 't vlaggelied bezorgd.

Ook bij de wetenschappelijke maar tevens de praktijk dienende stichting van „Toonkunst", de Vereeniging aanvankelijk voor Noord-Nederland's maar nu terecht voor Nederlandsche dus ook Zuid-Nederlandsche muziekgeschiedenis was hij de drijfkracht. Ongetwijfeld door zijn geest vatte zij dadelijk haar taak ruim op, bijvoorbeeld ook aanstonds haar belangstelling uitstrekkend tot klokken en klokkenspel. Over haar en zijn streven heb ik indertijd het volgende gezegd:

De „Toonkunst"-Maatschappij besloot in 1843 — hij was haar secretaris geworden — tot het verzamelen van werken onzer oude meesters, en Commer te Berlijn bracht voor haar in vijftien jaren een rijke collectie bijeen, waarvan zij twaalf deelen liet drukken; zij schreef vervolgens prijsvragen uit en ontving Eitners' biobibliografisch lexicon. Toen, in '68, achtte zij het tijd om een met haar verbondene maar zelfstandig werkende corporatie te vormen ter ontginning der schatten van haar eigen bodem, want tot dusver waren haast alleen Zuid-Nederlandsche te voorschijn gekomen.

„En zie", — schreef Heye — ,,'t was alsof een electrische schok door den lande ging. Nu 't ontloochenbaar was geworden, dat onze voorvaderen ook op muzikaal gebied hun „heldentijdperk" hebben gehad, en dat de deels geheel vergeten, deels lang betwiste bewijzen daarvoor wellicht

weer waren op te sporen nu toonde

zich de eigenaardigheid van ons Volkskarakter; „lang aarzelen zoo men twijfelt .... krachtig handelen zoodra men

Sluiten