is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 19, 07-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

247

M 1».

Is de 2<= waterhoudende laag uit vaste, op zichzelf weinig permeabele rotsen opgebouwd, dan stroomt het water uitsluitend door de aanwezige kloven en zal, waar deze aan dalwanden zijn blootgelegd, als bronnen optreden.

De physische, chemische en bactereologische samenstelling van het bodemwater is afhankelijk van den aard der waterhoudende lagen en den toestand van het verzamelgebied, dit laatste beheerscht voornamelijk de hygiënische waarde van het drinkwater.

a. Bronnen.

Eeuwen lang werd de bron-watervoorziening als de eenigst goede beschouwd en ook thans nog wordt dit gevoelen door de groote menigte gedeeld. _

Door de talrijke typhus-epidemieën — wij wijzen slechts op Neuenburg, Olten, Wintherthur, Thalweil, Bern, Lausen, Beverley, Worthing, Havre en Soest — welke aan bronwater moeten worden toegeschreven, heeft dit laatste echter veel van den nimbus verloren. Uit deze gevallen is n.1. gebleken dat bronwater zeer veranderlijk is, heden goed, morgen wellicht schadelijk voor de gezondheid kan zijn.

Valt het reeds moeielijk de in het verborgen stroomencle bronnen en voornamelijk de meest vermogende aderen aan te boren, nog grooter zijn de bezwaren, verbonden aan net opsporen van haar verzamelgebied. Zoolang dit onbekend is, missen wij de macht om vervuiling en besmetting van net bronwater te verhinderen. Aanvankelijk goede bronnen kunnen door de oprichting van secreten, beerputten, vaalten, enz. verontreinigd worden en aanleiding geven tot het uitbreken van epidemische ziekten. Cholera- en typhus-bacillen w0.r«en met de excrementen der patiënten in gewoonlijk ondichte beerputten verzameld. Meestal ontbreekt een min of meer dikke aardlaag, welke de pathogene kiemen tegenhoudt; integendeel zullen zij gemakkelijk in de onderaardsche kanalen worden opgenomen om ongedeerd de prise d'eau te bereiken.

Bemesting van bouw- en weilanden met faecaliën kan dezelfde gevolgen hebben, voornamelijk wanneer de humuslaag slechts een geringe dikte bezit. De typhus-epidemieën van Havre en Soest moeten daaraan worden toegeschreven.

Het is echter niet alleen het verzamelgebied, van waaruit het gevaar dreigt; dikwijls bestaan er nog onbekende verbindingen met riviertjes en beken, welke verdacht water afvoeren of te eenigertijd kunnen afvoeren. Meermalen heeft men ook de wegen kunnen volgen, langs welke het besmette water in de bron geraakte; een 4-tal voorbeelden vinden wij vermeld in „De Ingenieur" van 25 December 1897. Onder deze omstandigheden kan door verbetering der bestaande toestanden dikwijls veel van het kwaad worden weggenomen.

Ook artesische putten kunnen door ruime onderaardsche kanalen in vrije gemeenschap staan met de wateren der oppervlakte en derhalve langs die wegén verontreinigd worden. In „De Ingenieur" van 9 Juli 1892 noemden wij eenige van die bronnen, welke visschen, krabben, en molusken hebben uitgeworpen. - ,

In het bodemwater der gekloofde gesteenten kunnen dus te eeniger tijd pathogene bacteriën optreden. Zelfs wanneer de grenzen van het verzamelgebied bekend en alle mogelijke voorzorgsmaatregelen tegen een vervuiling genomen zijn, blijft die mogelijkheid bestaan, door de open, dikwijls zeer lange verbindingen met rivieren en beken.

b. Ondergrondwater.

Geheel anders is de toestand, wanneer de waterhoudende lagen uit zand of grind bestaan.

Het verzamelgebied van het ondergrondwater is weder terra incognita; de grenzen zijn onmogelijk te bepalen en een verontreiniging is derhalve ook hier niet buiten gesloten. Wellicht strekt het bedoelde terrein zich uit onder bebouwde kommen met zeer vervuildsn bodem en zal men er begraafplaatsen, alsmede tal van ondichte beerputten en mestvaalten op kunnen aantreffen.

De op het verzamelgebied vallende neerslag vormt daar grondwater en eerst nadat dit verder stroomafwaarts tusschen een paar ondoordringbare banken is opgesloten, neemt het den naam van ondergrondwater aan.

Chemisch zullen beide watersoorten veel overeenkomst vertoonen, want door de zandfiltratie wordt het water scheikundig slechts in geringe mate verbeterd. Bevat het le organische stoffen, ammoniak en salpeterigzuur, dan kunnen deze in het 2e niet ontbreken. De oorsprong dier bestanddeelen is

dezelfde, zij wijzen er op dat het water in aanraking is geweest met dierlijke afvalproducten. De ontleding dier zelfstandigheden heeft plaats in de hoogere lagen van het verzamelgebied, niet in de beddingen, welke het zoogenaamde ondergrondwater bevatten; dit laatste heeft de geïncrimineerde stoffen reeds opgenomen toen het nog in het stadium van grondwater verkeerde

De scheikundige eischen aan diep putwater te stellen, behoeven dus geen andere te zijn dan die, welke voor het gewone welwater verlangd worden, tenzij kan worden aangetoond dat het salpeterigzuur en de ammoniak niet mogen beschouwd worden als reductie-producten, doch als chemische verbindingen, wier oorsprong in de waterhoudende lagen zelf moet gezocht worden. Dit is slechts mogelijk wanneer het verzamelgebied nauwkeurig bekend is; in het tegenovergestelde geval moet men een verontreiniging van het bodemwater aannemen. , , , ,

Wijst de chemische analyse in diep ondergrondwater de bovenbedoelde stoffen aan, dan raag niet — gelijk wel eens voorkomt — gevraagd worden: „bewijs mij dat deze afkomstig zijn van faecaliën", neen, zelf moet men het tegenbewijs leveren en nimmer kan volstaan worden met de bewering: „de ammoniak is vermoedelijk op deze of gene wijze ontstaan".

De vraag of ammoniak-houdend ondergrondwater schadelijk is voor de gezondheid, kan veelal ontkennend beantwoord worden. ,

Nimmer neme men echter een beslissing zonder een degelijk onderzoek te hebben ingesteld.

Wij hebben reeds gezien dat chemisch, zeer slecht water, bactereologisch goed kan zijn omdat vele aardlagen, welke de neerslag passeeren moet, geen bacteriën doorlaten. De diepte, tot welke de micro-organismen kunnen doordringen, is afhankelijk van het filtreerend vermogen van den bodem; het spoedigst worden de bacillen tegengehouden door fijnkorrelig zand. Naarmate het materiaal minder fijn is, wordt de tegenstand geringer en ik acht het niet onmogelijk dat doorloopende lagen van grove grint ongedeerd door de bacteriën kunnen gepasseerd worden.

Toont de bactereologische analyse geen ongunstige eigenschappen aan en blijkt uit boringen dat de waterhoudende zandlagen de bacteriën tegenhouden, dan bestaat er geen enkel bezwaar om dit water goed te keuren, ten minste wanneer tevens elke verontreiniging van uit de naaste omgeving der prise d'eau is buitengesloten. , . . . +

Wanneer bekend is dat water in aanraking is geweest met menscheliike of dierlijke excrementen, zal het slechts met tegenzin gedronken ■ worden, zelfs indien de ontledmgsproducten zich door reuk, smaak noch kleur verraden. Zonder deze wetenschap wordt er dikwijls gaarne gebruik van gemaakt.

c. Grondwater.

Het verzamelgebied van het grondwater valt — behoudens enkele uitzonderingen — samen met zijn stroomgebied, hare grenzen zijn gemakkelijk te bepalen. Met betrekkelijk geringe kosten is het mogelijk stroomkaarten te vervaardigen, waarop de horizontale uitbreiding, de stroomrichting en het verhang van het grondwater graphisch zijn voorgesteld; boringen leeren den aard en de dikte der waterhoudende lagen kennen. Kortom men kan zich in het bezit stellen van alle gegevens, welke voor een goede beoordeeling der grondwatertoestanden vereischt worden. Zoodoende zijn wij niet alleen in staat gesteld de meest geschikte plaats te kiezen voor een prise d'eau doch tevens om deze ten allen tijde tegen vervuiling en besmetting te beschermen. Alleen hier kan de oorsprong der chemische stoffen, welke het water bevat, worden nagegaan. Bijna steeds vloeit het grondwater naar de rivieren en beken een tegengestelde stroomrichting behoort tot de zeldzaamheden (1). Een vermenging met het water der opperviaKie is dus nagenoeg onmogelijk. Tijdelijk komt dit laatste wel eens voor in prises d'eau, welke nabij rivieroevers nggen. Volgens Genzmer neemt te Keulen de hardheid van het grondwater geregeld af wanneer na lang P^^rok ^it spiegel gedaald is; tengevolge van den hoogeren druk vloeit het Rijnwater dan naar de < wel. ,

De chemische analyse leerde hier den oorsprong van het water kennen; de bactereologie moet thans uitmaken of het

(1) De stroomrichting van het grondwater, door F. E. L. Veeren. „De Ingenieur", 1896, n°. 43 en 44.