is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1952, no. 301-400, 01-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na de Februaristaking in 1941 zijn lidmaatschap opgezegd. Door te bedanken in een tijd, toen aan het opzeggen van het lidmaatschap der N.S.B. grote risico's verbonden waren en anderzijds van het keren der krijgskansen ten gunste van de geallieerden nog geen sprake was, heeft de appellant bewezen volledig, ongeacht de gevolgen, met de N.S.B. gebroken te hebben.

Van niet geringe invloed op het oordeel der Afdeling is de behandeling van deze zaak in de openbare vergadering geweest. De nadere verklaringen van de appellant en zijn raadsman, mede naar aanleiding van de door de leden der Afdeling gestelde vragen, hebben de Afdeling gesterkt in haar overtuiging, dat ontslag in dit geval een te harde maatregel zou zijn.

Dit de vele overgelegde getuigenverklaringen en hetgeen door de gemachtigde van de appellant in de openbare vergadering is medegedeeld, blijkt, dat de appellant van April 1941 af zich zeer verdienstelijk en als een goed Nederlander heeft gedragen. In haar ontwerp-beschikking heeft de Afdeling een korte samenvatting van de verzetsactiviteit van de appellant opgenomen. Juist deze activiteit, onder meer bestaande uit het verlenen van hulp aan het gewapend verzet, waarbij de appellant zijn leven heeft gewaagd, stempelt naar het oordeel der Afdeling de appellant tot een goed vaderlander, wiens toetreden in het begin der bezetting als sympathiserend lid der N.S.B. slechts als een op zich zelf staande, overigens betreurenswaardige, misstap is te beschouwen, welke, gelet op hetgeen daartegenover staat, niet voldoende grond voor ontslag kan opleveren.

Ook de Minister is, blijkens zijn schrijven, thans van oordeel, dat het krachtens artikel 1, sub b, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, verleende ontslag in zijn gevolgen de appellant en zijn gezin te zwaar treft. De Minister acht dan ook een wijziging van het ontslag in dier voege, dat het alsnog wordt verleend krachtens artikel 1, sub a, van genoemd Koninklijk Besluit, waardoor het mogelijk wordt, aan de appellant lang wachtgeld toe te kennen, gerechtvaardigd.

De Afdeling moet echter haar standpunt handhaven, dat ontslag in dit geval niet voldoende gerechtvaardigd is. Ook, indien ontslag met zogenaamd lang wachtgeld verleend zou worden, zou de appellant na verloop van tijd geen inkomsten meer hebben en zijn gezin, dat zien tijdens de oorlog voortreffelijk heeft gedragen, aan de armoede worden prijs gegeven, daar hij in verband met zijn leeftijd en eenzijdige opleiding en ervaring zeer bezwaarlijk een nieuwe werkkring zal kunnen vinden.

De Afdeling moge derhalve Uwer Majesteit eerbiedig in overweging geven, een beslissing te nemen overeenkomstig het bij haar advies van 28 Februari 1951, No. 179/1 aangeboden ontwerp-besluit.

Naar aanleiding van dit nader advies heeft wijlen Minister Van Maarseveen de Afdeling voor de Geschillen van Bestuur er op g e ' wezen, dat de daarin vervatte mededeling, dat appellant, ook indien