is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 3

1. De directie is niet bevoegd degene, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, in aanmerking te brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de directie bevoegd: a. een voorziening als bedoeld in artikel P9, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet, voort te zetten, indien en voorzo lang de belanghebbende de inkomenvormende arbeid waarvoor de voorziening laatstelijk werd toegekend, nog in ongeveer gelijke mate verricht; b. een voorziening als bedoeld in artikel P9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, voort te zetten. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en onverminderd het bepaalde in het tweede lid, onder a, is de directie voorts bevoegd degene, die de leeftijd van 65 jaar bereikt, de niet in de vorm van een geldelijke vergoeding verstrekte voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet, te doen behouden.

Artikel 4

De directie is bevoegd een persoon als bedoeld in artikel P9, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet, die zich buiten het Rijk bevindt, in aanmerking te brengen voor voorzieningen als bedoeld in genoemde artikelen, eerste of tweede lid, met dien verstande dat de beoordeling van de behoefte aan die voorzieningen redelijkerwijs mogelijk moet zijn en met inachtneming van de in zijn woon- of verblijfplaats geldende maatstaven dient te geschieden.

Artikel 5

1. Voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, kunnen slechts worden verleend, indien deze niet behoren tot de op grond van artikel 8, tweede lid, van de Ziekenfondswet, onderscheidenlijk artikel 6, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, geregelde verstrekkingen. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan een persoon als bedoeld in artikel P9, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet, die niet ingevolge de Ziekenfondswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd is, voor bijzondere gevallen in aanmerking gebracht worden voor voorzieningen als bedoeld in genoemde artikelen, eerste of tweede lid, indien deze behoren tot de op grond van artikel 8, tweede lid, van de Ziekenfondswet, onderscheidenlijk artikel 6, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde verstrekkingen. 3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en na overleg met Onze Minister, die het mede aangaat, met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

Artikel 6

1. Voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, kunnen slechts worden verleend, indien en voorzover deze niet behoren tot de verstrekkingen, waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van: