is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 601-651, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 6

1. Onteigening van onroerende zaken, restanten van opstallen en schepen op de voet van de artikelen 23 en 30 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden vindt niet meer plaats. 2. Toewijzing van schepen op de voet van artikel 21, tweede lid, en van onroerende zaken op de voet van de artikelen 33 en 34 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden vindt niet meer plaats, behoudens in de gevallen waarin vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een besluit tot toewijzing van onroerende zaken is genomen. Burgemeester en wethouders van de gemeenten, die een zodanig besluit hebben genomen, stellen Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hiermede in kennis uiterlijk 1 februari 1980. 3. In het Grootboek voor de Wederopbouw ingeschreven schadeloosstellingen wegens onteigening worden na het verstrijken van drie maanden na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zo spoedig mogelijk in geld uitbetaald. Indien de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw blijkt, dat een spoedige uitbetaling in geld aan de rechthebbende niet mogelijk is, betaalt hij uit door storting in de Consignatiekas, onverminderd het bepaalde in artikel 32, derde lid, van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden. Hij handelt op overeenkomstige wijze ten aanzien van hypotheekhouders en andere zakelijk gerechtigden, wier rechten bij de grootboekinschrijving zijn vermeld. 4. De inschrijving van schadeloosstellingen wegens onteigening in het Grootboek voor de Wederopbouw, bedoeld in artikel 36 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, blijft achterwege indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog geen opdracht tot inschrijving is gegeven. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening betaalt de niet ingeschreven schadeloosstellingen in geld uit. Hij vergoedt hierover een rente, vast te stellen met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in Afdeling 2 van Hoofdstuk IV van eerdergenoemde wet. Hij oefent ten aanzien van de niet ingeschreven schadeloosstellingen voor zover mogelijk de taak en de bevoegdheden uit van de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw, overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 2 van Hoofdstuk IV en Afdeling 1 van Hoofdstuk V van die wet; deze afdelingen zijn eveneens voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de rechten en plichten van de rechthebbende en van hypothecaire schuldeisers en andere zakelijk gerechtigden. Nadat de vaststelling van de schadeloosstelling onherroepelijk is geworden, geeft Onze Minister voornoemd aan de rechthebbenden, voor zover zij nog geen aanspraak op uitbetaling hebben gemaakt, schriftelijk bericht dat zij binnen een termijn van drie maanden een schriftelijk verzoek om uitbetaling bij hem kunnen indienen; indien een zodanig verzoek niet tijdig door hem is ontvangen betaalt hij uit door storting in de Consignatiekas, onverminderd het bepaalde in artikel 32, derde lid, van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden. Hij handelt op overeenkomstige wijze ten aanzien van degenen, die op het tijdstip van de onteigening een hypothecair of een ander zakelijk recht op het onteigende hadden.

Artikel 7

Verzoeken om herziening van een bijdrage op de voet van artikel 88 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden worden slechts in behandeling genomen, indien zij zijn ingediend vóór 1 juli 1977, dan wel binnen twee maanden, nadat de vaststelling van de schadeloosstelling met toepassing van de artikelen 86 en 87 van die wet onherroepelijk is geworden.