is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrouw en gemeenschap; maandblad van de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, jrg 1, 1930, no 2, 15-08-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verband de geschriften aan van „Famke", die zegt, dat op elke plaats waar een vrouw zetelt, een man wordt verdrongen waardoor de mogelijkheid van een huwelijk van dien man met een vrouw is uitgesloten.

Als vrouw van den burgemeester kan een vrouw een goeden invloed uitoefenen naast haren man, een goede „burgermoeder" zijn .

Maar wat zou de positie zijn van den man van de vrouwelijke burgemeester? Ik geloof niet, dat zij zoodanig zou zijn, dat er een groote invloed ten goede op de gemeente zou kunnen uitgaan.

Nu kan men zeggen: laat de mogelijkheid open, maar benoem geen vrouw. Doch dat is niet de bedoeling der voorstellers, neen men heeft den wensch geuit, dat de Minister zoo spoedig mogelijk zou overgaan tot de benoeming eener vr. burgemeester.

De heer van der Waerden (S.D.A.P.) heeft met aandacht geluisterd naar den heer De Wilde en meent dat het krachtigste tegenargument wel dat der hoffelijkheid was. Maar hij meent, dat de heer Kersten dat argument door zijne wijze van bestrijding volkomen krachteloos heeft gemaakt. De spreker acht het een gelukkig teeken des tijds, dat het uitzondering is dat op een dergelijke grove en ruwe wijze over vrouwen wordt gesproken als hier is geschied.

De Heer Schokking (Chr. Hist.) bestrijdt ook het amendement, doch op andere gronden dan zijne voorgangers.

Tot den heer Kersten zegt spreker, dat men wat voorzichtig moet zijn met van ordonnantiën Gods te spreken.

Men moet toch veronderstellen dat de heer K. en zijne partijgenooten het gezag der Koningin erkennen.

Dit bewijst, dat er omstandigheden zijn, waarin belangen van land en volk met zich brengen, dat een vrouw aan het hoofd der regeering optreedt.

Wij staan voor het feit, dat er een ontwikkeling is in het maatschappelijk leven, waarin de onderscheiding van mannen en vrouwen nog altijd een eerste rol speelt. Ik zou het daarin niet gelukkig achten als men vasthield aan de oude opvattingen, alsof een meisje, een jonge vrouw nergens anders voor zou deugen, dan om in de keuken te zijn, kousen te stoppen en niets anders dan vrouwelijke bezigheden te verrichten in den engeren zin van het woord en overigens af te wachten tot een man zich komt aanbieden.

De heer Schokking herinnert er aan, dat tijdens de mobilisatie tal van vrouwen uitstekend het werk hebben gedaan waaraan de man toen werd onttrokken.

Ook zal hij niet tegen stemmen omdat hij meent dat vrouwen onvoldoende bekwaamheid zouden bezitten. Spreker heeft de eer vele vrouwen te kennen, die hij acht bekwamer te zijn dan menig burgemeester.

De hoofdzaak ligt voor spr. hierin, dat,

wanneer er een oproeping wordt gedaan op een secretariekantoor of aan de typemachine, de vrouwelijke aanbiedingen legio zijn, terwijl deugdelijke krachten in ziekenhuizen en andere verpleeginrichtingen haast niet te krijgen zijn.

Dat is voor spreker aanleiding, de vrouw zooveel mogelijk te verwijzen naar arbeid, waarvoor zij in de eerste plaats is aangewezen en niet te pleiten voor hare aanstelling in ambten, die toch in de eerste plaats voor mannen zijn aangewezen.

Ten slotte meent de heer Schokking dat de zedelijkheid beter wordt gediend door ook in de maatschappelijke verhoudingen rekening te houden met de realiteit van de verhouding

van man en vrouw. Daarom ook en omdat er niet de minste behoefte is aan een vr. burgemeester, zal hij tegen het amendement stemmen.

De heer Lingbeek vindt in den bijbel geen enkel gebod, dat een vrouw geen burgemeester mag worden.

Hij ziet zelfs in den bijbel, dat in geval van nood de vrouw mag treden in de plaats van den man.

Maar de vrouw heeft een andere roeping dan de man. Ze behoeft niet alleen maar kousen te stoppen, er zijn betrekkingen genoeg die voor de vrouw passen, b.v. die van vroedvrouw, waarvoor de man weer n et geschikt is. Maar voor de taak van burgemeester is zij niet geschikt.

Minister Ruys de Beerenbrouck, thans aan 't woord komend, zegt dat geen verstandig mensch zich schaamt, van meening te veranderen.

Volgens des ministers overtuiging is de aanleg van de vrouw een andere dan die van den man.

Uit dat verschil moet noodzakelijk verschil van recht en plicht voortvloeien.

Zoowel de physieke als de geestelijke geaardheid der vrouw brengt mee, dat zij voor bepaalde onderdeelen, aan het burgemeestersambt verbonden, minder geschikt is dan de man.

Dit is een praktisch argument, over de waarde waarvan men zelfs van meening kan verschillen met zichzelf in het eene jaar en in het andere.

Zoo b.v. het opperbevel bij brand, over de politie. In kleine gemeenten gebeurt het herhaaldelijk, dat de burgemeester zelf een man bij den kraag vat. Dat is geen werk voor de vrouw.

In dit verband haalt de minister een gedeelte aan uit een rapport van de Ver. van Chr. Hist. leden van gemeentebesturen, waar over schouwen van wegen en waterleidingen wordt gesproken, en meent dat polsspringen, prikkeldraadoverklauteren het zich laten zakken in metersdiepe waterleidingen, kruipen over houtwallen en bosschen met doornen, bezigheden zijn, waartegen de waardigheid en de kleeding van een vrouwelijke burgemeester niet bestand zouden zijn. Ook kunnen er zich tijden van onrust voordoen, waarin de burgemeester moet bevelen, over te gaan tot daden van geweld.

Als er al een enkele vrouw zou zijn die daartoe geschikt was, he ft, zoo vraagt de minister zich af, een zoodanige vrouw dan wel behouden alle eigenschappen, die mannen — en vrouwen ook — zoo gaarne in vrouwen zien.

In het buitenland is dikwijls de burgemeester geen politiehoofd en dat maakt een groot verschil.

En als men wel de benoembaarheid in de wet zou willen neerleggen en tegelijkertijd het vaste voornemen koesteren nooit een vrouw te benoemen, dan zou de minister dat geen eerlijk standpunt noemen. Derhalve meent hij de Kamer met klem te moeten ontraden, het amendement aan te nemen.

De beraadslagingen worden gesloten en het amendement van den heer Boon wordt aangenomen met 46 tegen 35 stemmen.

Vóór hebben gestemd de geheele linkerzijde; van de Chr. Hist. Mr. Frida Katz, van de R.K.: met Mej. Meyer de voorzitter, de heer Van Schaik, de heeren Mgr. Nolens, Aalberse, Suring, Goseling, van Poll, Bongaerts en Guit.

S. v. d. H—B.