is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 16, 1935, no 11, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tabel 111 geeft de uitkomsten der berekening voor iedere streek en voor ieder decennium. In het kort kunnen ze aldus worden samengevat.

Afbeeldingen 2, 3 en 4 doen zien, dat de uitkomsten der berekeningen inderdaad voldoen aan de hierboven geformuleerde voorwaarden. Afbeeldingen 2 en 4 toonen voor iedere streek een geleidelijk afnemenden aanwas (de zakken in de krommen van afb. 4 zijn toe te schrijven aan het verschil tusschen de werke-

lijke bevolking in 1930 en die geschat door Wiebols), terwijl vooral afb. 4 ook doet zien, dat de snelgroeiende streken steeds verhoudingsgewijze snel blijven groeien, de langzaam groeiende langzaam. Uit afb. 3 is af te lezen, dat de totale verplaatsing van bevolking na verloop van tijd steeds geringer wordt.

Afb. 4. Tienjaarlijkschejfgroeicoëfficientenjjjvan de bevolking per streek

Welke waarde kan nu aan de verkregen resultaten worden gehecht"! Om dat na te gaan zijn eenige contróleberekeningen uitgevoerd, vooral om uit te maken in hoeverre het geoorloofd moet worden geacht de berekening te gronden op het bevolkingsverloop in één decennium, dat voor 1920 tot 1930.

Afb. 3. De bevolking per streek in procenten van de Rijksbevolking

Een eerste controle werd gevonden door voor de drie grootste steden den bevolkingsgroei volgens deze methode te vergelijken met dien volgens de methode door de diensten dezer steden gevolgd. Het verloop volgens de hier gevolgde methode bleek voor Amsterdam en Den Haag te liggen tusschen de minimum- en maximumschatting der diensten; voor Rotterdam bleek de schatting vrijwel te voeren tot het maximum door den dienst geschat.

Voor Oostelijk-Utrecht en Arnhem en omstreken bleken de uitkomsten redelijk wel overeen te stemmen met de schattingen vermeld in de betreffende streekplanrapporten.

Streek Inw. in 1930 X 1000 Inw. in 2000 X 1000 Idem 1930 = 100 I 1.695 1.674 98.8 II 1.445 3.070 212.5 111 1,241 1-955 157-5 IV 324 427 131.8 V 615 1.417 230.4 VI 878 1.243 141.6 VII 473 1.003 212.9 VIII 171 267 156.1 IX 1.093 1.679 153.6 Het Rijk 7-934 12.734 IÖO.-ï

Daarna hebben wij een verderen stap gewaagd. Wij hebben nl. uit het bevolkingsverloop voor iedere streek tusschen de volkstellingen van 1869 en 1879 de bevolking aan het einde van ieder der volgende decennia tot en met 1930 berekend (waarbij telkens werd uitgegaan van de werkelijke Rijksbevolking). Een volkomen betrouwbare rekenwijze zou dan voor de jaren 1920 en 1930 voor iedere streek wederom de hier werkelijk aanwezige bevolking hebben moeten opleveren. Het was te verwachten, dat dit niet in allen deele het geval zou zijn.