is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 27, 1946, no 8-9, 1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorderen door in het woongebied niet slechts winkels, doch ook kleine bedrijfjes, het handwerk, aanwezig te hebben. Als beginselen van de regionale en hiërarchische indeeling in dit opzicht zou men kunnen beschouwen: het dichter bij elkaar zijn van de verschillende functies (naast een zekere gescheidenheid) en de verscheidenheid, de aanwezigheid in één complex van allerlei beroepen, klassen van menschen, economische en cultureele fucties. Aan dén eenen kant vindt een decentralisatie, aan den anderen kant een combinatie plaats.

De regionale en hiërarchische indeeling nu, hoe belangrijk deze ook is, zou men middel kunnen noemen om de twee andere elementen, een goede woonomgeving en meer gemeenschap, te bereiken. En bij deze twee elementen valt de nadruk weer op het laatste. Over de kwestie der woonomgeving kunnen wij hier, na hetgeen wij daarover reeds opmerkten, kort zijn. Al hetgeen voor zulk een goede woonomgeving wenschelijk wordt geacht; meer ruimte en openheid tusschen de huizenrijen, meer toegang van zon en lucht, meer groenvoorziening en soortgelijke factoren, zij vormen onderdeel van hetgeen voor een goede wijk noodzakelijk wordt geacht en ook de studie-Bos c.s, geeft aan deze punten vrij veel aandacht. Wat tenslotte de sociale factoren betreft, de samenstellers van de studie-Bos c.s. en verwante Engelsche deskundigen zien, naar mijn meening terecht, in het wijkverband een belangrijk middel om de contacten tusschen de menschen te versterken en op een hooger, plan te brengen. In de eerste plaats kan dit geschieden door de organisatie der wijken, door de instelling van wijkraden, die gedacht worden als kern dier organisatie en waarin de bewoners der wijk mede besturend en regelend optreden, waarin zij dus mede sociale verantwoordelijkheid dragen. 8) In de tweede plaats gaan de voorstanders der wijkgedachte van de m.i. evenzeer juiste vooronderstelling uit, dat het samenwonen der menschen in een mileu dat zij kunnen overzien en dat hun vertrouwd wordt: een milieu dat cultureel bewoonbaar is, hun grooter gevoel van saamhoorigheid, van medeleven met elkaar zal geven. De mogelijkheid, dat menschen elkaar leeren kennen —■ en dan menschen van verschillende sociale groepen en interessen geeft de mogelijkheid tot minder vereenzaming, tot minder ontworteldheid en onrust, tot meer begrip en sociaal gevoel.

b. Uitbreiding der wijkgedachte. Over de grootte der wijken bestaan verschillende opvattingen. De studie-Bos c.s., die zich voornamelijk bezig houdt met Rotterdamsche verhoudingen en die daarbij sterk met het reeds bestaande rekening houdt, komt voor Rotterdam tot een indeeling in ongeveer dertig wijken, ieder van ongeveer 20.000 inwoners. De Engelsch-Amerikaansche ~neighbourhood-units” zijn kleiner, zij varieeren van 6000^ inwoners. Het is ook den voorstanders der wijkgedachte duidelijk, dat men niet op al te kunstmatige wijze wijken kan vormen, d.w.z. dat men in bestaande steden op een of andere wijze moet aansluiten bij wel overal bestaande deelen van een stad. In nieuwere steden heeft men beter gelegenheid tot een meer ideale indeeling in wijken. Over de mate en wijze waarop zulk een indeeling kan plaats hebben, kunnen natuurlijk de opvattingen uiteenloopen. Hier geldt hetzelfde als ten opzichte van de denkbeelden over de wenschelijke grootte van een stad, namelijk dat het denken over deze problemen nog beginnend en zoekend is en geen dogmatische opvattingen toel'aat.

Is de wijkgedachte nu ook van toepassing op kleinere steden of dorpen? Voor de tuinsteden naar de idee van Howard

De wijkraad ~zal, om een enkel voorbeeld te noemen, toezicht hebben uit te oefenen op bet gebihaik van gemeenschappelijke tuinen, op de bouw van voor de wijk benodigde woningen, op verhuurbare zalen voor uitvoeringen en vergaderingen en op talrijke andere zaken van sociaalculturele aard. Hieruit blijkt ten overvloede), dat de wijkraad in onze gedachten niet alleen wordt gezien als de organisatorische consequentie van een zeker stedfbouwkundig plan, maar ook als centrum en stimulans van een sociaal-cultureel plan, een structuurplan voor de volksontwikkeling” (blz. 53).

rekent Osborn ook met een geleding in wijken en voor de Engelsche plannen omtrent iets grootere steden staat eveneens de gedachte aan zulk een indeeling voorop. Het indeelingsprincipe zou dus kunnen doorgaan tot het punt waar de stad tot de grootte van een wijk is gedaald of iets daarboven. Kleinere steden en dorpen bezitten door hun beperkten omvang, door een zekere totaliteit van economische functies, op zich zelf reeds verschillende van de voordeelen, die men aan de wijk wil toekennen. Zij missen echter zeer veel van hetgeen in het algemeen als de voordeelen der cultuur wordt beschouwd. Nu heeft de moderne techniek hierin natuurlijk reeds ten deele verandering gebracht, doch er blijft hier een probleem bestaan. Een van de mogelijkheden tot verbetering wordt aangewezen door de Engelsche plannen tot vorming van een groep van kleinere steden: in eikaars nabijheid (voorzoover een tuinstad niet reeds betrekkelijk dicht bij een groote stad is gelegen) met elkaar aanvullende cultureele functies (..social cities”). Men vereenigt dan de voordeelen van het kleine woongebied met die van nabijheid van cultuur. Een zelfde beginsel van samenwerking, van behoud van het eigene en intieme met aanvulling uit omringend gebied zou waarschijnlijk, meer dan tot nu toe het geval is, voor het platteland toegepast kunnen worden.

Terwijl men hier van ruimtelijke uitbreiding der wijkgedachte zou kunnen spreken, bestaat er ook de mogelijkheid van uitbreiding naar de ideëele zijde. Ik bedoel het volgende. Wanneer men als een der belangrijkste aspecten der wijkgedachte de bevordering van meer socialen zin beschouwt, dan behoort daartoe ook het denken om. elkaar, het zorg hebben voor elkaar. Het kan beter geschieden door kleine daden van wellevendheid dan door het uitspreken van groote woorden als gemeenschap. Als voorbeeld noem ik hier het probleem van het lawaai. De gevoeligheid voor lawaai is verschillend, doch men zal het er wel algemeen over eens zijn, dat een moderne stad veel meer lawaai voortbrengt dan met aangenaam wonen verdragelijk is. Ten deele is het lawaai onvermijdelijk, ten deele is het onnoodig, ten deele is het hinderlijk en willekeurig, ten deele is het betrekkelijk neutraal. Het luide gebruik der radio met open ramen vooral, de rumoerige levensstijl van velen, met alle last daarvan voor buren, het zijn dingen, die in elk geval vermeden of verbeterd kunnen worden. Het veroorzaken van onnoodig lawaai, het binnendringen met geluiden in een anders woongebied, zou in de openbare meening tot dezelfde onhebbelijkheid moeten behooren als inbraak. Het is nog erger zelfs, immers constanter, onnadenkender of onverschilliger, in elk geval zonder de economische noodzaak, die bij inbraak althans nog wel verondersteld kan worden. Het probleem van gemeenschap tusschen menschen —■ om hier een enkele keer dit veelomvattend begrip te gebruiken is niet slechts dat van de vermeerdering van de hoogere contacten tusschen menschen, doch evenzeer van de vermindering der lagere contacten. Het is evenzeer het probleem van stilte, van eigenleven en mogelijkheid tot alleen-zijn als van het meer met elkaar gemeen hebben. »)

5. Wijkgedachte, stedchouw en algemeene samenhangen

a. Mogelijkheden der wijkgedachte. Wij zijn ons overzicht begonnen met een korte schets van de problemen van huisvesting en stedebouw en van de soorten oplossingen, die voor deze problemen zijn gezocht en ten deele gevonden. Zoo kwamen wij tot de wijkgedachte als een belangrijk onderdeel van de synthese der oplossingen. Wij gaan nu een omgekeerden weg volgen, bij de wijkgedachte beginnen en deze in meer algemeenen samenhang plaatsen. Wanneer wij spreken over mogelijkheden der wijkgedachte, dan kan allereerst opgemerkt worden, dat een soort geleding in wijken reeds be-

®) In dit verband moet nog het loffelijke denkbeeld genoemd worden, dat door den schrijver van het hoofdstuk ~Godsdienstig en kerkelijk leven” in de studie-Bos c.s. naar voren gebracht wordt. n.l. ~dat naast de verschillende kerkgebouwen op een rustige plaats in de wijk een ruimte wordt gebouwd, gewijd aan de stille overpeinzing” (blz. 289).