is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 6, 1946, no 5-6, 1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeelte daarvan extra op het Rijksvoorschot worden afgelost. De uitgaven uit dezen hoofde moesten worden gerekend te behoren tot de oorlogsgeweldschade der Gemeente, welke te haren laste blijft, voor zover het bedrag daarvan 5 % van haar inkomsten-capaciteit niet te boven ging. In verband met de terugstorting op de bouwvoorschotten zijn de annuïteiten herzien.

Aangezien de annuïteiten lager zijn geworden, daalde het exploitatie-tekort. De maximum-bijdrage van Rijk en gemeente wordt thans bij de vaststelling van de jaarlijkse bijdrage in het exploitatie-tekort dientengevolge verlaagd met het verschil der annuïteit, indien de terugstorting uitsluitend verband hield met beschadiging. Bij complexen met een crisisbijdrage wordt het verschil over de minimumhuur en de bijdrage verdeeld overeenkomstig de bij de stichting der woningen vastgestelde percentages. De annuïteit van het herstelvoorschot kan in verband met het afwijkende percentage van het Rijksaandeel in het tekort niet op exploitatierekening worden opgenomen. De vaststelling van de bijdrage in laatstgenoemde annuïteit heeft bij afzonderlijke beschikking plaats. Geschiedt de terugstorting tengevolge van verwoesting der woningen, dan wordt de bijdrage (bij een crisisbijdrage ook de minimumhuur) naar evenredigheid van het aantal verwoeste woningen verlaagd. Aangezien bij herbouw de grondannuïteit ten laste van de exploitatie der resterende woningen blijft, wordt de bijdrage van Rijk en gemeente met deze annuït verhoogd. Bij algehele verwoesting van een complex zal bij herbouw een nieuw grondvoorschot ter beschikking worden gesteld, gelijk aan de geschatte waarde. Met dit voorschot wordt het schuldrestant van het oorspronkelijke grondvoorschot afgelost. Het overblijvende gedeelte wordt gebruikt voor terugstorting van bijdragen c.q. voor storting in het Gemeenschappelijk fonds. Het exploitatie-tekort van de herbouwde woningen komt voor 90% ten laste van het Rijk.

Afwijkende bepalingen bij het vaststellen van het Exploitatie-tekort

Gedurende het tijdvak, dat de woningen onbewoonbaar zijn geweest tengevolge van oorlogsschade mag geen storting in het onderhoudsfonds plaats vinden. Bij woningen, welke tengevolge van oorlogshandelingen onbewoonbaar zijn geworden, geschieden zoveel vernieuwingen, dat het onderhoud in de eerste jaren zeer weinig zal betekenen. Voor administratiekosten mag in verband met de extra werkzaamheden gedurende het lopende exploitatiejaar met het oorspronkelijke aantal woningen rekening worden gehouden. Met de kosten van huurderving, voortvloeiende uit het niet bewoonbaar zijn der woningen, wordt zo nodig de bijdrage van het Rijk en de gemeente verhoogd. Voor complexen met een crisisbijdrage wordt deze huurderving in mindering gebracht van de minimum-huur. Nu bestaat de mogelijkheid, dat het getroffen complex een complex is zonder bijdrage in het exploitatie-tekort. De ongedekte kosten van huurderving moeten, indien een gemeenschappelijk fonds aanwezig is, hieruit worden bestreden. Is dit fonds niet aanwezig, dan kan de gemeente verzoeken deze kosten in het herstelvoorschot op te nemen. Bij verwoesting zal zo lang met huurderving rekening worden gehouden, tot terugstorting op het oorspronkelijke bouwvoorschot heeft plaatsgevonden, echter niet met een groter bedrag dan verschuldigd is om de annuïteiten met de op de verwoeste woningen drukkende lasten te dekken. Heeft terugstorting in verband met de kwijtschelding plaatsgevonden, dan zullen ook de kosten van huurverlaging van de verwoeste woningen vanzelfsprekend niet meer ten laste van het huurverlagingsfonds worden gebracht.

D. J. Lieshout

Onderhoudskosten

Op de jaarvergadering hebben verscheidene afgevaardigden met feiten aangetoond dat de prijzen van verschillende onderhoudswerken enorm zijn gestegen. Uit de aard werden slechts prijzen genoemd van enkele werken, waaruit bleek dat zij ongeveer 2 tot 3 maal en in enkele gevallen zelfs 4 maal hoger waren dan voor de oorlog.

Natuurlijk geven deze mededelingen slechts een onvolledig beeld. Daarom zullen wij trachten een enigszins vollediger inzicht te geven in de prijsverhoging van het onderhoudswerk van onze woningen. Dat lijkt te meer gewenst omdat er ook schattingen gemaakt worden die veel te laag zijn. Het is niet onze bedoeling gegevens te verzamelen om spoedig tot huurverhoging te komen, maar slechts te pogen zo objectief mogelijk de werkelijke hogere onderhoudskosten tc benaderen. Gemakkelijk is dat niet. Er zijn niet veel vergelijkbare objecten, waarmee men voor precies hetzelfde werk prijzen kan vergelijken van 1938 en begin 1939 en thans. Om enige oorzaken te noemen: het gebrek aan materiaal dwingt thans het werk op andere wijze uit te voeren: de lonen en sociale lasten waren voor de oorlog zeer verschillend en zijn thans nog lang niet overal gelijk, waardoor er veel verschil is in het bedrag waarmede deze posten zijn verhoogd; het verschil in verhoging van lonen in grote steden en op het platte land is groot. Er is ook een groot onderscheid van prijzen van onderhoudswerken uitgevoerd in eigen beheer en die uitgevoerd door een werkgever. Voorzover wij hebben kunnen vaststellen is het werk in eigen beheer thans veel goedkoper. Maar het prijsverschil tussen 1939 en thans kunnen wij alleen vrij nauwkeurig beoordelen voor werken in eigen beheer. Daarom behandelen wij hier het werk in eigen beheer apart.

Eigen beheer

De belangrijkste uitgave voor woningbouwverenigingen die we-k in eigen beheer uitvoeren zijn: lonen, leiding en controle, sociale lasten, materialen en gereedschappen c.s.

Lonen

minimum gemiddeld loon loon op Beroep in 1938-39 te Rotterdam 1 Oct. ’46 te Rotterdam en ’s Gravenhage en ’s Gravenha ge Metselaar 65 cent 90 cent Timmerman 65 „ 90 „ Stucadoor 67 96 „ Loodgieter 651/2 98 „ Schilder 62 „ 90 „ Behanger 6l 90 „ Electricien 681/2 „ 98 ~ Gemiddelde van deze beroepen 65 93 „

In ~Bouw” van 7 December 1946 worden belangrijke cijfers verstrekt over lonen en prijzen, van materiaal in 1938-’39 en op 1 October 1946. Van de meeste vakken van het bouwvak zijn de lonen vermeld van Den Haag, Rotterdam en de Wieringermeer. Van deze gegevens hebben wij hier overgenomen de vakken die het meest voorkomen bij het onderhoudswerk van onze woningen.

De verhoging van loon bedraagt voor Rotterdam en den Haag gemiddeld 43,6 %. Voor Wieringermeer zijn de lonen op dezelfde wijze vermeld. De verhoging bedraagt hier zelfs %.

Het komt ons voor dat deze cijfers voor de grote steden over het geheel een vrij juist beeld geven van de verhoging der lonen. Of de cijfers van Wieringermeer eveneens een juist beeld geven van de kleine plaatsen is ons niet voldoen-