is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 8, 1948, no 1, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De moeilijkheid was, dat verschillende prijzenbureaux er een eigen interpretatie op na hielden omtrent het begrip onderbuur en bij de bepaling van het percentage, waarmede de huur mocht worden verhoogd, waren verschillende factoren van invloed. Behalve het aantal personen, dat inwoonde, werd ook rekening gehouden met de familie-relaties der betrokkenen. Bovendien moest de goedkeuring via het gemeentebestuur worden gevraagd en ook moest via het gemeentebestuur de beslissing van het Prijzenburau weer ter goedkeuring aan de Minister worden voorgelegd.

Met ingang van 1 Februari 1948 wordt deze procedure echter belangrijk vereenvoudigd. Dan treedt in werking de ~Huurprijsuitvoeringsbeschikking 1948”. In deze beschikking wordt aan de verhuurder het recht gegeven om in geval van samenwoning de huur te verhogen boven de ingevolge het ~Huurprijsbesluit 1940” hoogst toelaatbare huur. De percentages der huurverhoging zijn nauwkeurig omschreven, alsmede de definitie ..familielid”. Toestemming behoeft niet meer te worden gevraagd.

Blijkens circulaire van de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting van 9 Januari 1948, No. 1704 c zal in geval van woningwetwoningen de goedkeuring van de Minister voor huurverhoging tengevolge van samenwoning niet meer gevraagd behoeven te worden. Tevens wordt in die circulaire nog eens nadrukkelijk medegedeeld, dat de hogere huuropbrengst bij samenwonen geheel ten goede moet komen aan het onderhoudsfonds.

Hieronder laten wij de bepalingen van de ~Huurprijsuitvoeringsbeschikking 1948” in extenso volgen, alsmede de circulaire van 9 Januari 1948, no. 1704 c.

..Huurprijsuitvoeringsbeschikking 1948”

.Artikel 1.

1. Indien door degene, aan wie door of namens de eigenaar een woning is verhuurd, aan derden, niet tot zijn gezin of huispersoneel behorende, al dan niet vrijwillig of al dan niet

tegen vergoeding, gelegenheid tot inwoning wordt verschaft met de klaarblijkelijke bedoeling, dat dezen aldaar hun hoofdverblijf houden, mag de huurprijs, welke ingevolge het Huurprijsbesluit 1940 voor de woning de hoogst toelaatbare is, door

de eigenaar worden verhoogd met de volgende percentages In geval van:

één mede-inwonende 5 %

twee mede-inwonenden 10%

drie en vier mede-inwonenden f 5 %

vijf en zes mede-inwonenden 20 %

zeven en meer mede-inwonenden 30 %

met dien verstande, dat de bovenbedoelde huurprijs, ongeacht het aantal mede-inwonenden, met 30 % mag worden verhoogd, indien de betrokken huurder als pensionhouder of kamerverhuurder voor het betrokken pand bij de Bedrijfsgroep hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwante bedrijven is ingeschreven en als zodanig gelegenheid tot inwoning verschaft.

Met de huurprijs, welke ingevolge het Huurprijsbesluit 1940 de hoogst toelaatbare is, worden voor de toepassing van deze beschikking gelijkgesteld de huurprijzen, welke krachtens wettelijk voorschrift door een bevoegd orgaan voor woningen zijn vastgesteld, met uitzondering van de huurprijsvaststellingen, bedoeld in artikel 4.

2. Indien één of meer niet tot het gezin van de huurder behorende mede-inwonenden familieleden van de huurder zijn, mag voor de vaststelling van het percentage één familielid niet worden meegerekend.

Onder familielid worden verstaan: ouders, grootouders, pleegouders, schoonouders, kinderen kleinkinderen, pleegkinderen, broer, zuster, schoonzoon, schoondochter, zwager, schoonbroer, schoonzuster, oom, tante, volle neef, volle nicht. 3. Bij vermindering van het aantal mede-inwonenden dient het percentage te worden verlaagd en bij vermeerdering mag dit worden verhoogd in overeenstemming met het werkelijke aantal, een en ander met ingang van de eerste dag der maand, volgende op die der wijziging. Bij vermeerdering door geboorte mag het percentage niet worden verhoogd.

Artikel 2.

De in artikel 1 bedoelde verhogingen zijn niet geoorloofd:

1. zolang de bepalingen van het lopende huurcontract omtrent de door de huurder verschuldigde huurprijs zich daartegen verzetten;

2. indien degene, aan wie de betrokken woning op 9 Mei 1940 was verhuurd, op die datum al dan niet in de vorm van onderbuur reeds gelegenheid tot mede-inwoning verschafte, tenzij deze hiertoe niet gerechtigd was en de eigenaar vóórdien hetzij van de mede-inwoning onkundig was, hetzij zich daartegen heeft verzet.

De eigenaar wordt geacht met de mede-inwoning op 9 Mei 1940 bekend te zijn geweest en daarin te hebben toegestemd, indien de mede-inwoning op 9 Mei 1940 reeds drie maanden of langer duurde en de eigenaar niet aantoont zich daartegen te hebben verzet.

Indien op 9 Mei 1940 in een woning slechts één mede-inwonend familielid aanwezig was, wordt geacht geen mede-inwoning te hebben plaats gehad.

Artikel 3.

1. Het Prijzenbureau voor onroerende zaken, als bedoeld in het Huurprijsuitvoeringsbesluit 1941 (Nederlandse Staatscourant van 3 December 1941, no. 236) is bevoegd in afzonderlijke gevallen afwijkende percentages vast te stellen.

2. De Directeur-Generaal van de Prijzen kan te allen tijde de beslissingen van de prijzenbureaux omtrent een verzoek om afwijkende percentages vast te stellen wijzigen of vernietigen.

Artikel 4.

1. De vóór het tijdstip van inwerkingtreding der beschikking door prijzenbureaux voor onroerende zaken aan de eigenaren voor woningen op grond van onderbuur of samenwoning verleende huurprijsvaststellingen worden ingetrokken met ingang van de dag van inwerkingtreding dezer beschikking.

2. In afwijking van het in lid 1 bepaalde, blijven de door de prijzenbureaux voor onroerende zaken vastgestelde huurprijzen voor woningen, welke in gedeelten zijn verhuurd aan meerdere personen, die ieder rechtstreeks van de eigenaar hebben gehuurd, van kracht, zolang in het aantal huurders geen wijziging komt of totdat deze uitdrukkelijk worden ingetrokken.

Artikel 5.

Deze beschikking kan worden aangehaald als ~Huurprijsuitvoeringsbeschikking 1948”. Zij wordt afgekondigd in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking op 1 Februari 1948.

P. A. IN ’T HOUT