is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 4, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engels landstadje tegen de plannen van het Ministerie tot aanmerkelijke uitbreiding.

Welwyn: Plan for Completion, door A. P. Davis. Critiek van een ingezetene van Welwyn op het plan voor de uitbreiding. Met afbb. Dispersal and Local Finance, door A. L. Wood. Een financieel expert gaat na wat de financiële gevolgen zijn van de op verspreiding van de bevolking van Londen gerichte politiek.

Town Plannning, Review, No. 4, Januari 1950

New Towns in Scotland, door R. Gardner-Medwin en F. J. Connell. De nieuwe steden in Schotland hebben minder de aandacht getrokken dan die rondom Londen. De motieven tot de vestiging zijn dezelfde als in Engeland; congestie van bestaande steden, ontwikkeling van industrieën op maagdelijk terrein, verstrooide ontwikkeling van sommige gebieden, halfindustrieel, half-landelijk. Bij Glasgow, waar zich het eerste motief doet gelden, moest het terrein voor een nieuwe stad wegens de bezwaren van verderaf gelegen terrein in de groene gordel worden gezocht, die intensief in cultuur was gebracht. Het streekplan heeft terrein voor drie nieuwe steden aangewezen, waarvan de Regering er een heeft uitgekozen, East Kilbride, die in uitvoering is gekomen. De nieuwe stad Glenrothes, Noordelijk van Edinburgh, houdt verband met de ontwikkeling van de mijnbouw aldaar. In het centrale deel van Fife beantwoordt de situatie aan het derde motief tot de vestiging van nieuwe steden: samentrekking van de industrieële ontwikkeling die anders de gehele streek dreigt te doen ontaarden. Ten slotte omvat het programma van nieuwe steden Invergordon, een gunstig gelegen natuurlijke haven in het Noorden en Coylton, dienende ter huisvesting van mijnwerkers in verband met uitbreiding van de kolenmijnen in Centraal Ayrshire. De grootte van de Schotse nieuwe steden is over het geheel kleiner genomen dan die in Engeland, omdat de bestaande steden in Schotland veel kleiner zijn. De traditie in Schotland wijst op hogere dichtheden dan in Engeland. De getalsverhouding van de Rooms Katholieke tot de Protestantse bevolking is een belangrijke factor bij de aanleg van de woonwijken. In East Kilbride wordt bijv. een Katholieke school op de grens van twee woonwijken geprojecteerd. De vraagpunten, die de uitvoering aan de orde stelt, worden aangeroerd, met name de concurrentie tussen wijkcentrum en stadscentrum. Met kaartjes.

The Planning Schools, 3, Harvard University, door G, Holmes Perkins. Een derde artikel in de reeks beschrijvingen van de opleiding voor de stedebouw. Harvard geeft een driejarige cursus, aansluitend bij een volledige college-studie, onverschillig in welk vak. Grote nedruk wordt gelegd op het aankweken van een geest van samenwerking. Dit gebeurt door de ~case studies”, die een grote plaats in de opleiding innemen. De studie voor het streekplanwerk wordt afzonderlijk gehouden, met een afzonderlijke graad.

Toward New Towns for America, door Clarence S. Stein. Het slot van dit artikel neemt rond 100 bladzijden in beslag, met tal van kaartjes, foto’s, plattegronden en tabellen, waardoor een zeer gedetailleerd, volledig beeld ontstaat van de lange reeks pogingen tot stichting van nieuwe steden of iets wat halverwege in die richting gaat, in de Verenigde Staten. Met name worden thans de Greenbelt Towns behandeld.

Oostenrijk

Der Aufbau, No. 2, Februari 1950

Einfache Einbauküchen in Volkswohnungen, door Prof. Franz Schuster. Schr. heeft een onderzoek ingesteld naar de beste inrichting en afmetingen van de keuken in de arbeiderswoningen, waarbij de gedachte heeft voorgezeten dat een en ander later het aanbrengen van een keuken-installatie a la Bruynzeel mogelijk moet maken. Met vele afbb.

Wie können unzulangliche Stadtstrassen für den gesteigerten Verkehr tauglich gemacht werden?, door Dr. Franz Musil. In de grote steden van de Verenigde Staten is een enquête opgesteld van 33 vragen betreffende het verkeer, waardoor de gemeentebesturen de wensen en klachten op het spoor kunnen komen. Hierover worden bizonderheden medegedeeld. Raumforschung und Landesplanung . Was sie sind und wollen, door Prof. Dr. Hugo Hassinger. Een principiële beschouwing over aard en doel van ruimtelijk onderzoek en ruimtelijke ordening, waarbij de nadruk valt op het landschap in ruime zin,

Wagenparkplatze, door Prof. Dr. Karl Brunner. Het parkeervraagstuk is van alle verkeersproblemen het laatst aangepakt. Schrj geeft een korte systematische behandeling van het onderwerp, met vele afbeeldingen, waarbij hij ook de parkeerterreinen binnen de blokken, de ondergrondse ■en de massale garages als oplossing van het probleem aanroert,

Differenzierte Strassen bei Neuplanung und Sanierung, door Ing. Dr Kurt Klaudy, Schr. acht het mogelijk ook in bestaande steden tot een plan van differentiatie van de aanwezige straten te komen, waarbij de te brede straten met groenstroken worden voorzien. Met afbb.

Verenigde Staten

Journal of Housing, No. 2, Februari 1950

The „Group Work” Agency, door Alice M. Brophy. Tweede in een reeks artikelen over de verhouding van de organen, die maatschappelijk werk verrichten tot die van het woningbeheer.

Zwitserland

L'Habitation, No. 2, Februari 1950

Une Colonie d’habitations a Genève. Beschrijving van een groep woningen. Met afbb.

Das Wohnen, No. 3, Maart 1950

Drie Basler Hochhauser, door ]. Maurizio. In Bazel zijn enige bouwplannen aanhangig voor hoge woongebouwen, de eerste voorbeelden hiervan in Zwitserland. Het atntal woonlagen is 12. Het artikel geeft enige bizonderheden, echter niet over de verhouding van bouwkosten en huren tot die van overeenkomstige woningen in lage bouw. Met afbb.

Boekbespreking

Enkele opmerkingen naar aanleiding van de 3de publicatie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan: ~De verspreiding van de bevolking in Nederland” (1949)

Nu heeft dan ook Nederland de uitspraak van de hoge Olympus van sociologen en planologen over het probleem van de verspreiding der Nederlandse bevolking. Inderdaad valt aan het gezag van deze uitspraak, voortgekomen uit het symposion van de beste deskundigen, welke Nederland bezit, moeilijk te tornen. Deze uitspraak is niet .alleen bezadigd en voorzichtig zij wordt als een voorlopige aangekondigd . maar zij wordt ook gemotiveerd op een wijze, welke zich door haar hoog wetenschappelijk niveau onderscheidt. In bet rapport hoort men de fraaie harmonie van een orkestspel van stuk voor stuk begenadigde solisten. Als toehoorder rest mij dus eigenlijk alleen de taak een daverend applaus te geven. Ik ben daartoe gaarne bereid, want de ~uitvoering” is inderdaad uitstekend. Het uitgevoerde werk is bovendien van het grootste belang, want gaat het hier tenslotte niet om de vraag, waar wij het meest gewenste woon- en werkmilieu kunnen ontwikkelen voor onze komende generatie? Ik stel mij echter voor, dat in dit geval een applaus misschien wel zeer verdiend is, maar toch minder zin heeft; dat het een orkest ~van stand” betreft en dat deze stand vanzelf verplichtingen schept behoeft wel niet nader onderstreept te worden. Ik schaar mij dus onder het ~eigenwijze” publiek en waag het dus, niet gehinderd door dusdanige standsverplichtingen, boudweg al direct te poneren, dat het rapport mij niet in alle opzichten heeft bevredigd. Deze teleurstelling geldt niet het wetenschappelijk peil van het rapport, maar de doelgerichtheid van het antwoord, de interpretatie van de vraag en de opdracht. Een nadere toelichting moge hier volgen. |

I Het rapport bestaat uit vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk vindt men de taakanalyse. De vraag, welke de Directeur van het Bureau van de Rijksdienst voor het Nationale Plan op 25 Januari 1946 stelde, luidde, verkort weergegeven, aldus: „Dient de ~natuurlijke” ontwikkeling van de bevolkingsverspreiding over ons land ook in de toekomst te worden aanvaard?" Kort en krachtig wordt het bekende probleem gesteld, dat aan deze vraag ten grondslag ligt: het zo dichtbevolkte Nederland, de „Randstad Holland” en de wenselijkheid van decentralisatie. De gestelde vraag wordt in de samenvatting van het eerste hoofdstuk aldus geïnterpreteerd: welke bezwaren doen zich voor in de onderscheidene gewesten en agglomeraties bij een verdere verdichting van de bevolking. Inderdaad is dit een kardinaal punt, al zou ik een meer geografische formulering prefereren, luidende: in welke gewesten en agglomeraties is een optimale bevolkingsdichtheid benaderd, en dus het accent willen verleggen naar het waar. Ik vraag mij echter bovendien af, of alle eventuele bezwaren tegen de ~natuurlijke” bevolkingsontwikkeling op deze wijze gevonden kunnen worden. Naast de mogelijkheid van een negatief antwoord: daar mag geen bevolking meer bij, kan ik mij de mogelijkheid voorstellen van een positief antwoord: daar is een verdere differentiatie en dus toeneming van de bevolking gewenst. Naast de vraag of de Randstad nog verder kan en mag groeien, is er de vraag of de concentratiegebieden in het Oosten en het Zuiden van ons hnd, sociaal-economisch gezien, niet een te eenzijdig karakter dragen en om een verdere ontwikkeling vragen. En omdat het rapport toch een normatief karakter heeft, kan ook de vraag gesteld worden of een afname der bevolking in de kleiprovincies te verwachten is. gezien de ontwikkeling van de landbouw aldaar, en zo I», 'ïeze bevolkingsafname Bewenst is.

Het tweede hoofdstuk bevat een diagnose van de ontwikkeling in het verleden en een prognose van de ontwikkeling in de toekomst van de geografische verdeling van de Nederlandse bevolking.

Wat de diagnose betreft, deze is een voorbeeld van het hoge wetenschappelijke niveau van dit rapport. Zeer geconcentreerd vindt men hier talrijke belangrijke beschouwingen en conclusies. Deze diagnose is echter tegelijk een treffend voorbeeld van het karakter van het gehele rapport, dat vooral uitkomt in het vechten tegen en opruimen van ficties. Zo wordt hier afgerekend met de fictie, dat de „Randstad Holland” in toenemende mate de Nederlandse bevolking zou opslokken; dit opslokken valt nogial mee en het gaat in afnemende mate. Het is daarom zeer nuttig, dat hier exact wordt aangetoond, dat West-Nederland in de 20ste eeuw geleidelijk een deel van zijn opnemingscapaciteit van de bevolkingsaanwas van de andere gewesten verloren heeft. Behartigenswaardig zijn de beschouwingen over de betekenis van de decentralisatie binnen het