Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als de liefde verandert in haat•••• We hebben van zeer veel reactionnaire beschouwingen betreffende verwerping van de Vlootwet kennis kunnen nemen. Het waren zoo ongeveer allen beschouwingen van zuiver politieke strekking, maar een uitzondering daarop wordt gemaakt door Mr. Korstenhorst, dén secretaris van de R.-K. Vereeniging van Werkgevers in de Metaalnijverheid, die meer dan anderen aan den val van het Ministerie „Ruys-Colijn-Aalberse”, zooals hij het noemt, economische beschouwingen wijdt. Het artikel is merkwaardig niet alleen om de beschouwingen die ten beste worden gegeven, maar vooral om de wijze waarop de schrijver aan z’n onverholen spijt over den val van het Ministerie-Ruys uiting geeft. Ja, zóó nijdig is Mr. K., dat hij de 10 R.-K. tegenstemmers en vooral de leiders van het R.-K. Vakbureau, welke daaronder begrepen zijn, zonder meer voor demagogen uitschelt, terwijl de R.-K. heer Hermans, die vóórstemde, een tién krijgt voor goed gedrag. Dat de Vlootwet verworpen is, kan Mr. K. eigenlijk heel weinig schelen. Z’n bezw'aar geldt uitsluitend het verlies van dit Ministerie, waarop hij z’n hoop had gevestigd en waarvan hij goede reconstructiemaatregelen verwacht had. We zullen ter illustratie enkele gedeelten uit het artikel overnemen: „Was het de Vlootwet alleen of zelfs in hoofdzaak, die de tien Roomsche Kamerleden bewogen heeft hun verderen steun aan dit Kabinet te onthouden ? Wij betwijfelen het ten zeerste. Hebben wij niet maanden geleden voorspeld, dat het demagogisch drijven inde gelederen der R.-K. Staatspartij niet rusten zou, voordat ook Aalberse als slachtoffer zou gevallen zijn ? De bezadigde „Tijd” spreekt in haar blad van 27 October van „een slecht begrepen en parlementair wilde democratie”, blijkbaar het juiste woord „demagogie” schuwend. En verder lezen we dan nog: „Het is den demagogen eigen, om hun populaire mannen, van wie zij eerst

geprofiteerd hebben, weg te werpen als een uitgeknepen citroen, wanneer deze geen voordeel meer afwerpen voor hun enge groepsbelangen. Wij zijn overtuigd, dat van de tien tegenstemmers een groot gedeelte vóór zou hebben gestemd, wanneer de niemve economisch-sociale richting van het Kabinet-Ruys-Colijn-Aalberse hun niet dwars had gezeten. Het Roomsche volk maakte zich om de Vlootwet koud noch warm, dat getuigen de slecht bezochte vergaderingen inde Kiesvereenigingen over dit onderwerp gehouden.” De heer Kortenhorst maakt dus zijn geloofsgenooten, die zich hebben durven verstouten tegen de Vlootwet te stemmen, voor demagogen uit. Voor die het niet weet zij hier verduidelijkt, dat met de benaming „demagoog” een volksmenner of ook wel volksopruier aangeduid wordt. Van je vrienden of liever gezegd van je broedersgeloofsgenooten moet je ’t maar hebben. Dien twist vechten de heeren echter zelf maar uit. Wij voor ons hebben het bovenstaande geciteerd om de klasse-tegenstelling onder de roomsch-katholieken in het licht te stellen. Er is een korte spanne tijds geschermd met „de Roomsch Katholieke solidariteit der standen.” Dat was nó November 1918, toen de Katholieke machthebbers door revolutievrees in ’t nauw w7erden gedreven. Toen hebben Kortenhorst c.s. alles gedaan om de Roomsche vakbeweging en haar leiders te paaien. En als nu Mr. K. schrijft Het is den demagogen eigen, om hun populaire mannen, van wie zij eerst geprofiteerd hebben, weg te werpen als een uitgeknepen citroen, wanneer deze geen voordeel meer afwerpen voor hun enge groepsbelangen dan ga hij eens met zichzelve te rade of deze woorden ook niet op hem zelf en zijns gelijken toepasselijk zijn. Uit het artikel van Mr. K. blijkt intusschen wel heel duidelijk, dat hij het stemmen van de tien roomsche kamerleden tegen de Vlootwet niet op zichzelf bechouwt. De Vlootwet, zoo is z’n bedoeling, is slechts aangegrepen omdat het „Kabinet-Ruys” nog een groot aantal andere reactionnaire voorstellen op z’n program had staan. Het zijn juist die laatstaangeduide voorstellen waaraan de heer K. zijn hart had verpand

en daarom is hij zóó baloorig over den val van „Ruys”, dat hij de reeds te voren als uitgeknepen citroenen weggesmeten Roomsche vakbondleiders bovendien nog als demagogen uitscheldt. De roomsche werkgevers wekt hij vérder op om het er niet bij te laten zitten. Men oordeele slechts over hét volgende: ~Meer dan ooit zal het noodig zijn, dat thans alle stemmen van de R. K. Werkgevers zich vereenigen om den kreet naar reconstructie van het bedrijfsleven krachtiger dan ooit aan te heffen. Niets zou ons liever zijn, dan dat het Congres der A. R. K. W. V. zou kunnen dienen om steun te geven aan reeds ontworpen of nog te ontwerpen Regeeringsplannen. Doch als het dan moet, kan dit Congres ook de uiting zijn van het gloeiend protest tegen allen, die in dezen uiterst benarden tijd over de ruggen der breede massa heen, het land naar den ondergang willen voeren. Het Reconstructie-Congres wil een machtige demonstratie zijn van den ernstigen wil der R.-K. Werkgevers om te komen tot een bétere toekomst”; en verder nog dit: Wanneer dan ook een bestuit genomen moet worden, of de leden der A. R. K. W. V. zich opgeven als congressist, dan moet de val van het Kabinet-Ruys-Colijn aan elke aarzeling een einde maken.” Het is van den heer K. buitengewoon vrijpostig om te schrijven dat dit R.-K. Werkgevers-Congres in het teeken zal moeten staan van protest, gloeiend protest nog wel, tegen allen, „die in dezen uiterst benarden tijd over de ruggen der breede massa heen, het land naar den ondergang willen voeren.” Over demagogie gesproken. De heeren werkgevers, de R.-K. zeker niet in de laatste plaats, zijn zóó gewoon geweest met de breede massa te sollen, dat zij allen, die niet wenschen dat de massa door Colijn en diens paladijnen naar omlaag getrapt wordt, beschuldigen, dat zij het land naar den afgrond willen voeren. Intusschen, de gevleugelde woorden: R.-K. solidariteit der standen, hebben afgedaan; het is nu alles één tegenstelling wat de klok slaat. Inplaats van het weder-

zijdsch solidarisme (dat er tusschen ons gezegd nooit geweest is), géiden nu de wederzijdschè protesten. De wolf en het lam zullen niet in vredi leven, althans niet zoolang beiden zichzeb blijven. De natuur gaat boven de leer, mijne heeren! De R.-K. arbeiders zien van nature veel liever de solidariteit met ons en het zijn alleen en uitsluitend kunstmatige middelen waardoor men van hooger hand dat natuurlijke klasse-solidarisme tegenwerkt. De gesocialiseerde huishouding. Het streven naar socialisatie van ons economisch leven is niet, zooals sommigen het willen voorstellen, zulk een nieuw verzinsel, ontsproten aan een stelletje idealisten met overspannen denkbeelden; het is overal naar voren gekomen, waar de uitbuiting van den mensch door den mensch in hooge mate heerscht, waar massale ellende de gemoederen opwindt, zedelijk en geestelijk hoogstaande menschen 'prikkelt om over verbetering te peinzen. Het ontspruit uit de waarneming der krasse tegenstelling tusschen bezitters en niet-bezitters, het wortelt in het gevoel, dat ongelijkheid van bezit een onrecht is, waarin de anti-sociale prikkels de sociale verstikken en dat alleen gemeenschappelijkheid van bezit de worstelingen van menschen en menschengroepen onder elkaar verwijderen en een minzaam samenwerken en samenleven binnen een menschelijke gemeenschap daarvoor in ’t leven kan roepen. Voorheen waren het vooral zedelijk-sociale redenen, welke voor socialisatie van het economische leven pleitten, maar tegenwoordig werpen zich ook economische inde weegschaal. Men erkent n.l. hoe langer hoe meer dat een gesocialiseerde volkshuishouding in staat zal zijn hoogere prestaties te bereiken en daardoor een ruimere en betere voorziening inde behoeften mogelijk te maken, waarbij zich dan nog een rechtvaardige verdeeling der benoodigdheden of verbruiksgoederen voegt. De kapitalistische huishouding werkt n.l. zonder plan en verspillend, omdat zij een schrikbarende krachtsverspilling en versplintering na zich sleept ÜHBË'gl11!”1111,111111L"1 11.1111 f'WMMmmiMjuwi■ ■ 1 mimi

Het drieploegenstelsel inde IJzer- en Staalindustrie. (Vervolg). Met cle invoering van het driepfoegonstelsel is de behoefte aan arbeidskrachten met 30 k 50 pCt. verhoogd. De Britsche, Finsche en Japansche ijzer- en staalwerken hebben met een veel geringer vermeerdering van arbeidskrachten kunnen volstaan, hetgeen blijkt uit de grootere opbrengst der productie per dag en per arbeider. Toch schijnt inde verschillende takken der ijzer- en staalindustrie de invoering van het drieploegenstelsel over het algemeen een vermeerdering der werkelijke arbeidskrachten van 30 k 40 pCt. noodzakelijk te vereischen (zie overzicht II). De invloed der nieuwe arbeidsmethode op de productiekosten kan niet in haar geheel geschat worden, want inden tijd, dat het drieploegenstelsel werd ingevoerd, stegen in alle landen de loonen en de koopkracht van het geld daalde. Bovendien was, zooals reeds gezegd, de opbrengst der arbeidskracht nog niet op peil en de hoedanigheid der grondstoffen slecht; allemaal redenen onafhankelijk van den overgang 1

tot het drieploegenstelsel. Toch hebben de kosten van de arbeidskracht zich ongetwijfeld over ’t algemeen met 50 pCt. verhoogd daar inde meeste landen noch de loonen verlaagd, noch het aantal arbeiders per ploeg verminderd is en de opbrengstverhooging per arbeider dagelijks öf nihil óf uiterst miniem is geweest. In Groot-Brittannië, waar de overgang van het tweenaar het drieploegenstelsel niet altijd een vermeerdering van het aantal arbeiders met 30 a 50 pCt. heeft vereischt en waar de kosten van het drieploegenstelsel door ondernemers en arbeiders gemeenschappelijk worden gedragen, bereikte de verhooging der kosten der arbeidskracht in bepaalde gevallen maar 5 a 10 pCt. Hierbij volgen de dooreen Engelsche arbeidersorganisatie over de vermeerdering der kosten van de arbeidskracht medegedeelde cijfers: Hoogovens (Schotland) . . 45 pCt. Kroezenovens (bepaald aantal werken) . 17.5 ~ Bessemer couvertors (bepaald aantal werken) ..... 45 ~ Walswerken (bepaald aantal werken) . 33 » i Hieronder volgen twee overzichten:

OVERZICHT I. Percentage van ‘de vermindering der dagelijksche opbrengst per arbeider door invoering van het drieploegenstelsel. *) Kroezen- Bessemer- Wals- Land. Betr. bron der gegevens Hoogovens. ovens. couvertors. werken. België: Werk A »• , . K . ,■ s 3333 33 ~ „ B sa s ia , v 21 33=) 35 42'1) 5» )> O • » :« > •; va 3333 33 Duitschland; Een werk – , . a , K 53“)554)554)34) ~ Arbeidersorg. a * y555) 7-5s) 225) Finland: Werk A >• » x B >■ > :« s y • y 5 --- ~ ,f C r» y ï a y 44 5 Groot-Brittannië: Kleinovens . >• g g116)06) —. ~ Ovens K x 14*) “ “ Japan: .Werk A’ a .■ y s t > y 17 xS 6 13 ~ V « . « ■* va ’i y s y ;• —r • 27?f v '• • v y • • x – s >: h ~ 4°*) Joego-Slavië: Werk A « . . , £ y 24 Spanje: Werk A . >; >• – , . y y 3333 5° ~ ~ B y y y p. – y – 333/ ~ ~ C v y >* > y >: • y 33 ) ~ j, D • y >■ > a y a # 33 Zuid-Afrika: Een werk y . « y y 22 2010) 1) In eenige gevallen werd het percentage uit gemelde feiten afgeleid. 8) Martinovens. 3) Dagelijksche opbrengst berekend per arbeider per dag. '*)Deze cijfers gelden voor Juni 1919, zes maanden na invoering van het stelsel. 3) Het percentage van de vermindering der opbrengst gemiddeld per arbeider per dag over Sept.-Oct. 1918 en over Juli-Aug. 1919 berekend. “) Cijfers uit het verslag van „Industrial Fatigue Research Board”. 7) Kleine walswerken. 8) Wals voor spoorrails. 9) Resultaat van goede discipline en toestaan van premie in uitzonderingsgevallen. 10) DraadtreKh.enj<

– – ■ 1 1 ™—i ujib m.i. . OVERZICHT 11. Percentage der vermeerdering van arbeidskrachten, welke ter vermijding van 'productievermindering bij den overgang naar het drieploegenstelsel noodig was. (Alleen dagtaakwerkers zijn in aanmerking genomen). Kroezen- Bessemer- Wals- Band. Betr. bron der gegevens Hoogovens. ovens. couvertors. werken. België: Regeering *, v Nv . 5050 5050 » Werk A , . v K , s 5050 5050 » » B v .* « S v y y 46221) 24*)' 20 Canada: Regeering ~ *. ■. >; . 53®) 50°) Duitschland: Regeering .. . s . 5050 5050 ~ Arbeidersbonden . . -£ 5050 —• Finland; .Werk A,*., , s s s 331)01) 30 » » B . x x v •: >, >- v 5 6.5 50 » _ >y C . v •- ï > s ■ ï 43 50 Groot-Brittannië: Arbeidersorg. >■ •, , 40 5050 50 „ 6 kleine ovens . . s113)33) _ „ 1 oven «113)73) Italië: Regeering 7) . Japan: Werk A . . . , , . , . . 28 xx 18 Joego-Slavië: Werk As * s . . . 50 50 Oostenrijk: Regeering . . . s . , 5050 50 ~ Arbeidersorganisaties s • 5° 5050 50 Polen; 4 werken . #,.>.» ss g 40-48 49-So1) 40-45 Spanje: Werk A .s•< . 32 32 25 v >r )> B . v , . . 5050 50 » » C • . >; , >: » 'i. 'é 50 —• • 3 j j> O – – y * y ka . 25 – » >i Es x y y 50 ‘ – ij !> F x s s >: s s ï s 1— 5° f> tj G 50 * – 30 >t t> H s s x » m t a > • 60 30 •t » I S S S S » X X s 50 ») )) J • •’•••■» 30 30 50 Zuid-Afrika: Een onderneming . , . . 50®) Zweden: Arbeidersorganisaties „ , 40-50 40-50 _ Zwitserland: Werk A . . . s y y. '» 30 *) Martinovens. 3) Thomascouvertors. 3) Verslag van het „Industrial Fatigi Research Board”. 5) Electrische ovens. 6) Plaatijzerwals. 7) 5 ovens en een walswerk, welke door 4 ondernemingen worden gedreven. 8) Zoowel blanke arbeiders ais kleurlingen vermeerderden met 50 pCt.

Een Oostenrijksche inspecteur van 'den Arbeid verklaarde: ~De toepassing van het drieploegenstelsel zal noodzakelijk een vermeerdering der kosten van arbeidskracht, alsook een verhooging der totale productiekosten voor een bepaalde hoeveelheid van voortbrengselen tengevolge hebben. Het is evenwel onloochenbaar, dat de ijverige benutting der gezamenlijke beschikbare arbeidsmiddelen, dank zij den achturendag een bezuiniging aan brandstof voor een zekere hoeveelheid productie zal toelaten; een voordeel, dat waarschijnlijk de vermeerdering der kosten van arbeidskracht, welke door de bijvoeging vaneen derde ploeg ontstaan, zou overtreffen.” Een enkele onderneming meldt een vermindering van het brandstoffenverbruik, terwijl daarentegen in 2 gevallen een vermeerdering wordt vastgesteld; de andere

verklaren zonder bijzondere verwijzing naar de brandstoffen, dat het verbruik van grondstoffen niet gewijzigd is, noch de verspilling grooter is geworden. In tegenstelling daarmee verklaren de Duitsche en Tsjechoslowaaksche arbeidersbonden, dat het drieploegenstelsel in staat is geweest de zuinigheid te verhoogen. Het schijnt, dat door de omstandigheid, dat met het drie ploegenstelsel de verantwoordelijkheid over een grooter aantal enkelingen verdeeld is, een bepaalde verspilling daaruit voortkomt, De arbeider geeft zijn gereedschap en materiaal niet terug aan dengene, waarvan hij het ontving en dientengevolge wordt de vaststelling der verantwoordelijkheid voor nadeelen veel moeilijker. Een Poolsch werk meldt, dat de arbeiders bij de kroezenovt rmet opzet bepaalde werkzaamheden rekken over den gewonen tijd, teneinde de volgende ploeg de zorg te laten ypor de uitvoering:

Sluiten