Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nou over...: Ter gelegenheid van de bespreking over wijziging van vorm en inhoud van ons blad, hetgeen geschiedde op onze in 1936 gehouden bondsvergadering, heeft een van de gedelegeerden onzer afdeling IJmuiden bij den redacteur aandrang uitgeoefend om eens te schrijven over het onderwerp hierboven genoemd. Onzerzijds is toen geantwoord, dat, ofschoon wij reeds vroeger over technocratie ons oordeel ten beste gaven, wij er geen bezwaar tegen hadden er nog eens over te schrijven. Nochtans, wij hebben het nagelaten en zouden er waarschijnlijk zelfs helemaal niet meer aan gedacht hebben, ware het niet dat op onze laatstelijk gehouden bondsvergadering dooreen andere afgevaardigde van IJmuiden de opmerking werd gemaakt, dat wij onze in 1936 gedane belofte niet waren nagekomen. De opmerking was juist en ’t is dan ook vanwege deze herinnering, dat wij het begeerde onderwerp thans aansnijden. Ons verzuim is overigens slechts uitvloeisel van gebrek aan waardering voor en van geloof in het stelsel der technocratie. Hetgeen gepaard gaat met geringe lust om er tegen te velde te trekken. Want in tegenstelling met de tijd van de jaren 1932 en 1933 wordt thans weinig aandacht aan deze zaak geschonken. Wij hebben er de jaargangen van ons blad eens op nageslagen en vonden in die van 1933 nummer 12 van 25 Maart een artikel van onze hand, getiteld: „Wat wil men met technocratie bereiken?” Wij citeren er o.m. het volgende uit: „Aan theoretici van diverse pluimage biedt onze ontredderde samenleving ruimschoots gelegenheid om allerlei nieuwe of vernieuwde denkbeelden tot genezing van de zieke maatschappij aan den man te brengen. Als paddestoelen uit de grond rijzen zij op, de raadgevers en economische dokters en zij verrijken de samenleving met nieuwe gevleugelde woorden, die zich als wonderbare kometen aan de economische hemel vertonen en belangstellende kijkers trekken. Zo gaat het nu eenmaal; hoe groter de moeilijkheden, hoe ernstiger de verschijnselen, des te talrijker zijnde plannen en adviezen. De consequenties trekken uit de lessen die het verloop der kapitalistische wanorde ons leert, durft men niet. En zo zoekt men naar uitkomst langs allerlei wegen. Vanuit Amerika is ons de laatste tijd weer wat nieuws komen toewaaien. Een nieuw gevleugeld woord deed z’n intrede: technocratie geheten.

technocratie Heerschappij der technici; grondgedachte der technocraten: de leiding van het bedrijfsleven In het belang der maatschappij, uitsluitend in handen der technocraten.” Zó was ons oordeel inde aan vang van het jaar 1933 en dat oordeel is tot dusverre niet gewijzigd. Het gerucht rondom de technocraten en hun systeem is trouwens in deze vijf jaren vrijwel verstomd, hetgeen op zichzelf als een noodlottig verschijnsel kan worden beschouwd (voor de voorstanders, wel te verstaan). Maar dat neemt niet weg, dat wij toch ook in ons land een Technocratisch Verbond rijk zijn, dat ten vorige jare inde maand April te Utrecht zijn algemene vergadering hield. Daar zijn toen een tweetal inleidingen gehouden handelende,, respectievelijk over de historische ontwikkeling der technocratie en over technocratie en wetenschap. De inleider van het eerste onderwerp was dr. André Luwel uit Gent. Aan diens rede ontlenen wij (verslag Nw. Rotterd. Courant van 10 April 1937): „De technocratische idee is ontstaan door wetenschappelijke analyse van de techniek, waarbij men tot de conclusie komt, dat de verhouding van den mens tot de natuur zich heeft gewijzigd, waardoor de technocratie de logische uitkomst is van de ontwikkelingsgang én van de feitelijke oeconomie èn van de oeconomische sociale theoriën. Door de resultaten van de analyse van het moderne productieproces te combineren met een maximale sociale efficiëntie ontstaat het sociale doeleinde van de technocratie. Uit deze analyse volgt, dat de mens zich ontwikkeld heeft van het stadium der absolute onderworpenheid aan de natuur overeen periode van relatieve onafhankelijkheid, waarin de geestelijke cultuur ontstond, tot een wetenschappelijke beheersing van de natuur, waardoor een nieuwe periode van sociale cultuur mogelijk wordt.” En verder citeren wij nog uit deze rede het volgende: „De technocratie stelt den mens in het centrum der economie, waarbij, dank zij de wetenschappelijke beheersing van de natuur, het materiële leven ondergeschikt kan worden gemaakt aan het geestelijke. Daartoe is echter noodzakelijk de geld-econo-

mie te vervangen dooreen goederen-economie en de economie van de schaarste dooreen economie van de overvloed, wil niet het gunstige sociale resultaat van de natuurbeheersing teloor gaan.” Tot zover dr. André Luwel geciteerd, waarna ons nog overblijft om ook een gedeelte uit de rede van dr. ir. H. J. Prins uit Hilversum, den tweeden inleider, aan te halen. Na gewezen te hebben op de toenemende onrust onder de mensen, gevolg voornamelijk van ongerustheid en onzekerheid omtrent de toekomst, constateert hij dat de angst voor de onzekere toekomst drijft tot primitivisme, tot blindelings volgen van het instinct tot zelfbehoud, een instinct, dat geen vergeestelijking kan doen verdwijnen en slechts tot rust kan komen, indien de materiële verzorging ook voor de toekomst verzekerd kan zijn. En hij vervolgt dan: „De technocratie meent, dat dit mogelijk is op grond van de resultaten van wetenschap en techniek. Als voorbeeld koos spr. de productie van voedingsmiddelen, waaromtrent voldoende . statistische gegevens bestaan om de conclusie te rechtvaardigen, hoezeer de productie daarvan zou kunnen worden opgevoerd bij volledige toepassing van de moderne wetenschap.” Tenslotte nog dit: „De grote vooruitgang van wetenschap en techniek zijn te danken aan het feit, dat hier, als op geen ander gebied van menselijke werkzaamheid, de deskundigheid de leiding heeft.” (Ineen voorafgaand gedeelte van zijn rede wees de inleider op de toepassing van wetenschappelijke bedrijfsvoering bij het in exploitatie brengen van onze Wieringermeer). „Dit voert de technocratie er toe de suprematie van de deskundigheid op ieder gebied van menselijk handelen als noodzakelijke voorwaarde voor de vooruitgang te stellen, waarbij het nodig zal zijn, dat de beoefenaren der wetenschap zelve de sociale verantwoordelijkheid voor hun daden op zich nemen die zij nu overlaten aan anderen, niet-deskundigen. Technocratie eist, overeenkomstig de oorspronkelijke betekenis van het woord, de heerschappij van de deskundigheid, de logische consequentie van het wetenschappelijk karakter, dat de menselijke werkzaamheid in zijn verschillende uitingen heeft aangenomen.” Tot zover twee deskundige voorstanders van het technocratisch principe geciteerd. Maar onze beschouwing en wat meer zegt, die van anderen, moeten thans het* geheel completeren. Daartoe zullen wij in het volgende, mogelijk ook ineen volgend nummer van ons blad, een voortzetting op al het voorgaande geven.

Ter gelegenheid van het congreswas inde zaal van het A.M.V.J.-gebouw een stand ingericht van het propagandamateriaal door onze Bond inde laatste twee jaren uitgegeven. Hierboven de linker helft van deze kleine tentoonstelling.

Sluiten