is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 31, 30-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Plattelandsproletariaat

Dr. Kruyt en ir. Vos hebben op het Congres der S.D.A.P. belangrijke redevoeringen gehouden over platteland en stad. De laagste lonen der arbeiders en de laagste inkomens in „eigen bedrijf” verdiend, vindt men in de landbouw, dus op het platteland. Het meest kenmerkende verschil tussen stad en land moet men toch in het bedrijf zoeken. Ook in de dorpen, waar om de goedkope werkkrachten de industrie gevestigd wordt, blijft toch als hoofdbedrijf de landbouw en de meeste fabrieksarbeiders daar houden enig kleinvee en bewerken in hun vrije tijd de grond. Als in een dorp de industrie de landbouw geheel verdrongen heeft, wordt het tot een stadje en verliest het na enige tijd ai de kenmerken van het platteland. Dr. Kruyt en ir. Vos wezen beiden op de lagere lonen, de langere werktijden, het duurzame karakter der werkloosheid, de bijzondere nood der landarbeiders. Hun lonen zijn naar een raming van ir. Vos nog enkele guldens per week lager dan die m de industrie op het platteland.

Meermalen hebben wij uit de mond van landarbeiders gehoord: Wij willen onze kinderen bewaren voor het land! Zij zoeken allerlei baantjes voor hen als jongste bediende van een kapper, loopjongen bij bakker, slager of kruidenier; zij sturen hen vaak met zeer grote opofferingen naar de ambachtsschool of naar de M.U.L.0.-school, als ze tot de beste leerlingen der lagere school behoren, opdat zij eens niet gelijk hun ondersen voorouders tot het plattelandsproletariaat zullen behoren. Want het landwerk, zo zei eens een landarbeider scherp en bitter tegen mij, is het dichtst bij de dood! Door het zeer toegenomen gebruik van allerlei machines en door nieuwe doelmatiger en goedkoper wijze van verbouwen zijn er minder handen op het land nodig. Toch is een deel der plattelands jeugd gedwongen op het land werk en een bestaan te zoeken. Immers slechts een enkele jongen kan kappersbediende worden en het aantal vlugge leerlingen behoort tot een kleine minderheid; bovendien zijn vele landarbeiders vooral, als er vele kinderen zijn, niet in staat een vluggen jongen onder hen te laten leren.

Er is ook gesproken over het leven der kleine boertjes, de koemelkertjes en gardeniers. Dr. Kruyt wees er terecht op, dat vele landarbeiders het ideaal hebben, om eens een eigen bedrijfje te bezitten, hun eigen werk te hebben en hun eigen meester te zijn. Dat volgt uit de drang naar zelfstandigheid en de voldoening, die de mens heeft in de resultaten van eigen overleg en arbeid en de overwinning van moeilijkheden daarbij.

Deze vrijheid wordt echter vooral in deze tijd duur gekocht; ze komt feitelijk neer op de ergste slavernij. Het gehele gezin moet meewerken en nergens is de werktijd langer dan in dit eigen kleinbedrijf. Door de d(X)d van een koe of de mislukking van de oogst ligt zo’n bedrijfje dikwijls al tegen de grond. Wanneer de uren van arbeid door de leden van het gezin opgeteld worden, zal de opbrengst van hun werk aanzienlijk lager blijken te zijn dan het loon van den landarbeider in loondienst. Daarom zegt men ook wel, dat de kleine boer, die zijn eigen meester is, den slechtsten meester heeft, die het langst laat werken en het laagste loon geeft. Zijn zelfstandigheid is zeer betrekkelijk en wordt duur betaald! Het gevaar bestaat bovendien, dat de kleine boer al zijn aandacht en streven richt op zijn stukje grond en weinig belangstelt in de grote wereld daarbuiten. Al zijn tijd en aandacht worden in beslag genomen door zijn stal en akkers en het doel, de huur, de kunstmest, het zaad enz. op tijd te betalen en dan genoeg over te houden voor een meestal sober bestaan. Is hij versleten en oud geworden, dan verarmt hij in menig geval geheel en het eind is bedeling of het armhuis.

Het is makkelijker, een ziektebeeld vast te stellen, door alle verschijnselen op te merken, dan om genezing te brengen. Dat geldt ook in

dit geval. Er zullen verschillende maatregelen voor en ook door het plattelandsproletariaat genomen moeten worden; zij zuilen ook moeten leren, wijder en verder te zien. Hun nood is ook een gevolg der kapitalistische verhoudingen. Wij noemen slechts de overproductie en gemis aan productieregeling, de abnormaal hoge huur en prijs van de bodem, die een begeerlijk object is voor het bijzonder overvloedige beleggingskapitaal, de concurrentie ook van overzeese landen, waar men nog roofbouw kan plegen en de bodem uitputten en waar men over de inlanders als de allergoedkoopste werkkrachten kan beschikken en zo is er meer. Krachtig en -helder hebben dr. Kruyt en ir. Vos op de positie der landarbeiders en hun nood gewezen. Het bekende moet wel eens weer bekend gemaakt worden, om bekend te zijn. Zo hebben we een nood leren kennen, die oproept tot studie en strijd.

De oorlogsgedachte

w ij kunnen onze gedachten slechts gedeeltelijk beheersen. Onverwachts moeten we denken aan onaangename dingen, die we meenden voor goed uit ons hoofd gezet te hebben en we vergeten ook vaak de dingen, die wij moesten onthouden en verontschuldigen ons dan met een; Ik heb er niet aan gedacht! Het is een mooie Zondag en de natuur is vol van een stemming van vrede en zachtheid. Hoe mooi is het ienteontwaken der natuur, even lieflijk als van een kind, dat de oogjes opent en u lachend aanziet. Maar als nu eens een zwerm bombardeervliegtuigen kwam aanrazen en dood en vernieling uitstrooide! Zouden te midden van deze lieflijke natuur mensen geweer en kanon kunnen afvuren? Niet aan denken! Een troep fleurig geklede, vrolijke jonge mensen op wandeltocht. Voorop jonge mannen, meer jong nog dan man, die in helgroene uniformen stram marcheren op tromgeroffel, de bajonet op hun geweren, parmantige snuiten, die een Duitsen maarschalk zouden bekoren, maar een Nederlandsen dominee doen brommen: Gevaarlijk kinderspul! Die jongens marcheren, alsof ze onoverwinlijk zijn en iedere vijand op de vlucht zou slaan bij het zien van het felle groen van hun mooie kleren en hun kranige houding en ordelijke beweging. Wat zou er van die jongens terecht komen, als zij eens vechten moesten? Niet aan denken!

In de kranten altijd weer hetzelfde. Wij moeten ons bewapenen, nog veel sterker en ook vrijwillig meer voor defensie offeren. Waar blijven de giften van duizenden en tienduizenden van grote ondernemingen en miliionairs? Wij moeten ons als democraten van alle landen verenigen en ook de kleinen beschermen! Wij moeten trouw blijven aan de Volkenbond en aandringen op collectieve vrede en veiligheid. Zal dat echter niet uitlopen op collectieve oorlog? Ons land zal dan spoedig onder de voet gelopen, kapot gewalst worden door de oorlogsinstrumenten van den eersten den besten aanvaller. Zal dan Engeland ons te hulp komen om ons weer op te richten, gedreven door gevoel van recht en liefde voor de zwakken en verdrukten? China, Abessynië en Spanje zijn het antwoord. Wat moeten wij dan doen, ais Hitier ook de Germanen van Nederland onderdanen wil maken van een groot Duits wereldrijk? Niet aan denken!

Daartoe zou men echter ergens ver van de mensen en onbereikbaar voor de post en de kranten in een kluis moeten gaan wonen. Dan zou men misschien een poosje ver kunnen blijven van de gedachte aan een oorlog. Thans is het onmogelijk. Wat mij treft in krantenlectuur, streep ik blauw aan. Voor mij ligt een stapeltje knipsels. Bijna ai het blauw brengt tot de oorlogsgedachte. Daar spreekt de man, die ook als voorzitter van zijn partij in een openingswoord ener jaarvergadering wat te zeggen heeft, waarnaar ieder graag luistert, jhr. mr. De Geer, en we luisteren. Hij heeft

het over de „ontwapeningsdwaling” en merkt daarbij op, dat de leden der C.D.U., die erin „verstrikt” zijn, niettemin in gemoede een eerlijke overtuiging hebben en dat men de zuiverheid van hun motieven niet moet aantasten. Niet allen zijn nobele tegenstanders van ontwapening. Ik lees in een ingezonden stuk in de „N.R.Crt.” van bekrompen egoïsme, van onwU meer persoonlijke lasten te aanvaarden, dan het eigenbelang dit eist, ais de gezindheid, die een deel van ons volk zich deed tooien met het gebroken geweertje. Ook bij geestelijke bestrijding in de pers worden gifgassen gebruikt.

We keren terug tot jhr. mr. De Geer, die wij geen militarist en nog minder een man van de oorlog noemen, al verwerpt hij de ontwapening en aanvaardt hij de plicht der landsverdediging, dus de oorlog. Wat er van de beschaving zou overbiijven bij een nieuwe wereldoorlog, zo sprak hij, behoeft men niet te vragen. Om den vijand murw te slaan, zal dan niets ontzien moeten worden. Dat is zelfs de humaanste manier, omdat dan de oorlog het vlugst uit zal zijn naar het betoog van een Italiaans staatsstuk.

Die eis van ~humaniteit” zal aan beide zijden gelden. Zelfs Rusland zal niet zo inhumaan (onmenselijk) willen zijn, om vrouwen en kinderen te sparen en daardoor de oorlog te rekken. Bovendien, wie achterblijft in deze afschuwelijke wedloop, zal het eerst murw zijn en straks slaaf worden in plaats van overheerser. Derhalve moet het volle ~defensieve” tuighuis in de kortste tijd over den vijand uitgestort en door nieuwe productie aangevuid worden, opdat die uitstorting kan doorgaan. Dit eist de humaniteit. Zo beschrijft jhr. mr. De Geer een nieuwe wereldoorlog. die gevoerd wordt om het behoud van de Volkenbond, door een unie van democratische volken tegen de fascistische mogendheden. Maar dit oordeel geldt ook van de oorlog door een kleine natie gevoerd ter zelfverdediging en in de hoop, dat een bevriende grote mogendheid wei tijdig zal bijspringen. Ontwapening moge een dwaling zijn, maar wat is het deelnemen aan de volgende oorlog en de voorbereiding daartoe? Is het niet beter en christelijker, ai dit duivelse gedoe lijdelijk te ondergaan, dan er zich medeplichtig aan te maken?

Er liggen nog meer beschouwingen over oorlog en bewapening voor ons, maar we willen die gedachten nu toch verjagen. Ze zijn echter ais vliegen, die even snel terugkeren, als ze verdreven zijn. Wij nemen ons telkens weer voor, niet weer in deze rubriek over de oorlogsgedachte te schrijven; maar het zal ook deze keer wel niet voor het laatst zijn geweest.

J. A. BRUINS

BOEKBESPREKING

Emil Ludwig; „Cleopatra. Geschichte einer Königin”. Uitg. Querido, A’dam.

1937. 300 blz. Prijs f 3.25 fi.25

Vele gemoederen zijn door Cleopatra tijdens haar leven verontrust, veel pennen in beweging gebracht; veel pennen, óók na haar dood. Toch had Emil Ludwig weinig of geen psychologische documenten tot zijn beschikking, toen hij zich zette om het leven van Cleopatra uit te beelden. Daardoor kon hij zijn fantasie in dezen vrij spel laten. In tegenstelling met de legende als zou zij „de grootste amoureuse van haar tijd” zijn, schildert hij haar als „de geliefde en moeder, de strijdster en koningin”. Deze wel zeer afwijkende kijk op de historische figuur van Cleopatra en op de levens van de grote Romeinen, waarmee het hare zich verweven heeft, weet Emil Ludwig hier en daar nsychologisch wel aanvaardbaar te maken. Toch blijven er wel enkele vraagtekens staan en ik denk, dat de geleerden het hierover niet gemakkelijk eens zullen worden.

Het boek vooronderstelt een vrij grote kennis van de antieke geschiedenis, die menig lezer zeker eerst zal hebben op te frissen, wil hij zijn lectuur ten volle kunnen genieten.

Afgezien van deze en enkele andere bezwaren is het boek toch zeker de moeite van het lezen waard. Het boeit door zijn oorspronkelijke kijk en werpt een vaak verrassend licht op toestanden, gebeurtenissen en personen.

L. W.—S,