is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 35, 28-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Géén oordeel

Bloemlezing uit de gedichten van Willem Klaas, verzameld door Martien Beversluis. Uitg, Bosch en Keuning, Baarn.

Zie, als nog eens eenmaal, voor de rechterstoel van de tijd, het dichterschap van Willem Kloos tot een grote sof verklaard werd, dan zou ik me daar niet al te zeer over verwonderen. En zeker zou ik niet tot degenen horen, die van dat vonnis in appèl gingen. Omdat ik, ook voor die verzen, die als zijn beste worden beschouwd, nooit meer dan een koele, ik zou haast zeggen theoretische, bewondering heb kunnen kweken; en omdat een kunstwerk van de theoretische appreciatie van vakmensen niet léven kan.

Verwachten doe ik dat vonnis weliswaar niet. Daarvoor staan, tegenover mijn gematigde onverschilligheid, al te veel getuigenissen van mensen, die door Kloos’ poëzie in het diepst van hun ziel zijn ontroerd, althans mensen die dat verklaren met een klank van oprechtheid in hun pen. En dat zijn niet eens alleen de oudjes, die in hun jeugd misschien door de nieuwheid en de onafhankelijkheid van deze poëtische belijdenissen zijn verbluft, ook jongeren vindt men nog in dezelfde ban. Het is toch wel niet goed aan te nemen, dat iemand een ganse generatie van kunstenaars zou kunnen aanvuren en aanvoeren, en voor zijn tijdgenoten gelden welhaast als een symbool der poëzie („wij Tollens!” die aangeklede aap heeft hier niks te maken!).., als een symbool der poëzie, zeg ik, en dan naderhand zoiets prozaisch blijken als een sof, De conclusie dringt zich op, dat de jonge Kloos een groot dichter geweest moet zijn, voor wiens poëzie mij het zintuig ontbreekt.

Geen ongeschikter beoordelaar dus, voor een bloemlezing uit Kloos, dat de persoon met het ontbrekende zintuig: een blinde voor de kleuren. Maar de blinde kan de zienden misschien een paar vragen stellen.

Op een paar te verwaarlozen uitzonderingen na (hé hé, wie verwaarloost daar zo vlot de minderheden?) zijn alle beoordelaars van mening, dat Kloos in zijn later leven geen belangrijke figuur gebleven is. Vraag: is het denkbaar, dat iemand tot even voorbij zijn dertigste een genie is, en daarna tot zijn tachtigste een willekeurige meneer? Let wel, het gaat hier niet om iemand, wiens verdere ontwikkeling voor ons verborgen is, niet om een ~zwijgend dichter”; Kloos wU ons meer vertellen dan ons interesseert. Is nu de theorie van de ~twee Kloozen”, die men in bijna alle herdenkingsartikelen aantreft de bijna tachtigjarige en de Tachtiger, zoals Stuiveling ze in dit blad heeft onderscheiden psychologisch te handhaven?

Velen hebben, bij het sterven van den dichter, sympathieke woorden gewijd aan zijn vrouw en aan hun ideaal huwelijksleven.

Vraag: is het denkbaar, dat iemand die als hemelbestormer begint, met ah's alsof beneden de Olympus geen passende omgang voor hem te vinden is, de zuster zijner ziel vindt in de schrijfster van een vrij ordinair soort societyromans, als hoedanig Mevrouw Kloos—Reyneke van Stuwe bekend staat?

Alles wat Kloos in versvorm geschreven heeft, hoeven wij gelukkig ook voor zijn bewonderaars niet te bewonderen; er is veel kaf onder het koren. Maar dat kaf gaan wie hem vereren, met een discreet stilzwijgen voorbij, uit dankbaarheid voor het voedzaam graan. Het geldt als onedelmoedig, anders te doen en zout te leggen op slakjes, waarvan een ander óók wel weet dat ze er zijn. Vraag: waar vinden wij nu het koren, waarvoor dankbaarheid post, en waar de slakjes die geen zout op hun staart verdragen?

Volgens de een ligt alles wat waarde heeft in het werk van de eerste jaren verzameld, volgens de ander heeft Kloos in later jaren nog wel degelijk mooie verzen gemaakt. Lezer, wantrouw de mensen die „wel degelijk” zeggen: zij bedriegen anderen of zichzelf. lemand die van een zaak „wel degelijk” wat

afweet, heeft er geen verstand van, en wie „wel. degelijk” z’n best heeft gedaan, is een gegarandeerde lijntrekker. Maar waar vind ik nu de verzen die, niet „wel degelijk mooi”, maar móói zijn?

De een spreekt van zes, de ander van twintig gedichten. Maar in dit bundeltje een bundeltje, lezer, dat door Martien Beversluis is bijeengebracht, een bundeltje waar een kaftje om zit alsof het kruissteekpatronen in plaats van sonnetten bevatte, in dit nare bundeltje staan er wel vijftig. Waar past mij nu het zwijgen der bescheidenheid (wegens ontbrekend zintuig), waar dat der edelmoedigheid (wegens vele en gewichtige den lande bewezen diensten, niet van mij maar van Kloos), en waar mag ik misschien nog iets in het midden brengen?

Dit laatste moet geoorloofd wezen tegenover de keus van Beversluis, voorzover ik weet nóg geen drager ener Koninklijke Onderscheiding, waaruit men aflezen kan „hoe de waarde van zijn arbeid voor onze Nederlandse letterkunde wordt hooggeschat” (ik citeer Beversluis over Kloos).

Deze keus is opmerkelijk door het ontbreken van een der beste, en misschien het allerbekendste vers van Kloos „Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten...” Wederom stelt de blinde de vraag: waarom? Het antwoord luidt, vrees ik: omdat dit een christelijk bundeltje moet zijn, door een sinds enige tijd christelijk bloemlezer bijeengebracht. Kloos is er gecensureerd.

Maar nu begint mij het vermoeden te verontrusten, dat wat wèl in het boekje staat, niet alleen van een christelijk „Nihil obstat” (geen bezwaar), maar ook van een bloemlezerlijk „Imprimatur” (laat dat gedrukt worden) voorzien is. En dat bijvoorbeeld de onnozelheden op rijm, die met „Wat wil dat volk?” beginnen, en de burgerij aanraden intijds een beetje geschikt voor het volk te wezen, vóór er stukken worden gemaakt („zo niet, dan wacht ons een ellendige dood”, maar ~zijn wij eerst één met ’t volk, dan ’t volk met ons”) dat die onnozelheden niet om hun dichterlijke waarde, maar om hun inhoud zijn opgenomen. Daar is ook bijvoorbeeld een vers aan Onze lieve Heer, waar erg veel hoofdletters in voorkomen: mijn Diepste ziel, mijns trotsen Zelfs enz. en waarin voornamelijk verteld wordt dat de dichter zo mateloos edelmoedig is, maar dat „klein mensjes en hun ijdlijk plagen” het hem zo lastig maken, omdat hij voor geen mens v/il buigen „Daar Dat Niet Kan” (vier hóófdletters, zetter!), misschien vindt deze of gene dat ook stichtelijk.

Als dan aan het slot de blinde toch nog een oordeel over de kleuren wil formuleren, zou het dit wezen, dat Kloos’ poëzie de onsterfelijkheid zeker niet aan haar inhoud zal danken, maar dat de volmaakt schone vórm van enkele weinige verzen een blijvend bezit van onze cultuur blijken kan. Of die schoonheid ons al of niet roert, zal dan wel persoonlijk wezen.

M. H. VAN DER ZEYDE.

STILLE LACH

Ik zie de hemellichten hoger stijgen

en als een donkerende rouw, om daglicht dat nu heen ging tijgen, staat slanke popel als een stille vrouw.

En immer dieper wordt het zwijgen

der koele wind, als parelende dauw staan sterren door de twijgen tegen ’t zwarter tintend avondhlauw.

Vaag rijst nog late lichte glans van verre einder op mij toe, een laatste groetnis van de dag.

Een klimmedalend Ijle dans van muggen, ’t zware roeven van een [koe,

zo gaat ze heen met stille lach. HENK OVERBEEK.

Nu ziet U mijn oog

Een der woorden uit de bijbel, waarin wij tegelijk ons verlangen en ons grootste gemis voelen uitgedrukt, is het woord uit Job 42: „Van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu ziet U mijn oog.” Wie kent niet het verlangen, God met eigen ogen te zien en wie weet ook niet, hoe vaak onze woorden over God theorieën en formules zijn. die wij enkel van horen zeggen hebben?

Natuurlijk, dat laatste klinkt hard, onaangenaam hard. Wij gebruiken het woord „God” en zou dat dan een lege klank zijn? Nu, dit wordt niet bedoeld, maar hoe weinig spreken wij over God van uit het levende contact met Hem? Gebeurt het niet vaak, dat wij het slechts over een herinnering hebben of ook over een woord, dat wij aan een ander ontleenden en dat ons bij die ander eenmaal ontroerde? Is God niet dikwijls een schakel in een keten van logische redeneringen, een woord, dat door ons ingevoerd is, opdat onze theorie kloppen zou? Ja, ik weet het: wij drukken er ook ons hoogste verlangen, onze diepste wijsheid mee uit. Maar is het dan niet vaak nog een woord?

Het is een eigenaardige ervaring, die Job kent en die wij ook telkens weer deelachtig kunnen worden. Job had het woord God veel gebruikt, hij was een vroom mens en hij wist hoe men God moest vereren. Maar het blijkt, dat hij heel veel, zo niet alles, van horen zeggen had. Hij stond een overgeleverde traditie voor en dat was zeer belangrijk natuurlijk, want in de traditie is altijd iets van de grote herinnering: ook een af gesleten munt behoudt zijn waarde. Maar de traditie was enkel op ’t verleden gericht en overwoekerd door menselijke gedachtespinsels. Job had vergeten, dat God doorwerkt en niet gebonden is aan wat mensen in stelsels neerleggen. En nu sprak God ineens tot hem uit het onweer en zijn hand moest op zijn mond, hij mocht en kon niet meer spreken. Het is hetzelfde, als wat wij soms ervaren. Dan weten wij ineens; zwijgen is beter, oneindig veel beter dan praten, God zal het wel aan ons doen en ook door ons. Dan zien wij, waarover wij tot nog toe durfden spreken en het is anders en meer, dan wij dachten en spreken mogen wij niet meer.

Natuurlijk, wij moeten denken, goed denken. Wij moeten ook spreken, goed spreken. Het is niet mogelijk, dat wij zwijgen, zelfs niet over die dingen, die wij alleen maar vermoeden. Maar het ware denken en spreken Is toch dat, wat zich bezighoudt met de door God ervaren dingen, wat zijn oorsprong vindt in wat van de eeuwigheid tot ons komt en niet alleen menselijke gedachte is. En ieder, die iets van God mocht zien, weet ook, dat hij toen zwijgen moest en dat in dit zwijgen meer weis, dan ooit menselijke woorden konden vertolken. Hij weet, dat het zwijgen van ons mensen mogelijk maakt, dat, God spreekt en op dat spreken van God komt het alleen aan, want dan is er niets meer van horen zeggen, maar zien wij met eigen oog.

Martin Buber, onderscheidt ergens waar – nemen, beschouwen en beleven. Het eerste is meer actief, het tweede meer passief, maar waarnemen en beschouwen kennen beide geen verplichting tegenover wat gezien wordt, het gaat in beide gevallen om ons, die waarnemen en beschouwen. Bij beleven, innerlijk ervaren, dan tegelijk aan, het vraagt iets van ons voor den ander of voor ons zelf. Wanneer wij een mens „beleven” b,v., dan vraagt de waarheid iets van ons voor dien mens, voor ons zelf; dan zegt de gerechtigheid ons iets en ook de liefde. Die andere mens is dan niet meer object van onze waarneming of beschouwing, die andere mens is er met ons voor het geheel. Zo geloof ik ook, dat wij God moeten willen „beleven”, innerlijk ervaren. Hem „aannemen”, zoals Abraham Hem eens in zijn tent ontving. Zolang wij alleen maar willen waarnemen en beschouwen, zonder verplichtingen en onverantwoordelijk, zolang zien wij niet en is alles van horen zeggen vernomen.

J. KALMA,