is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 37, 11-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Polyfonie

De mensheid is één koor van duizend monden,

en vele stemmen strenglen zich dooreen

in vreugd, in leed, in lachen, in geween, in klagen ook om zoveel schoons geschonden.

Maar hij die lééft en meeleeft, niet alleen, maar met het volk als met zich zelf verbonden.

en draagt mét hen de last, de schuld der zonden

en weet het heil en wijst de weg daarheen:

Zie, hij verstaat het thema van hun lied

en volgt de stemmen op hun kronkelgangen omhoog, omlaag, en waakt, want hij begrijpt

dit hijgend tasten naar een nieuw verschiet.

die val, die opgang als één groots verlangen naar God, den Eeuwige, die in ons rijpt.

ANDREAS GLOTZBACH.

De reorganisatie in de Ned. Herv. Kerk

Binnen de oude Ned. Herv. Kerk wordt op dit ogenblik een strijd gestreden, die de aandacht overwaard is. Ook wij, Religieus-Socialisten, doen er goed aan, deze strijd niet achteloos voorbij te gaan. Weinigen onder ons, hoe onkerkelijk misschien ook, zullen tegenwoordig de betekenis van een kerk ontkennen. Op verschillende manieren kan men constateren, dat in het algemeen wellicht de kerk-getrouwen in aantal niet sterk groeien, maar dat het prestige van de Kerk toeneemt. Er is minder haat tegen de Kerk, de onverschilligheid is wat minder zeker van zichzelf, velen, die haar vroeger alleen maar volkomen negeerden, bekennen nu, dat zij, de Kerk, toch zo gek niet is. Het is niet nodig met vreugdevolle opwinding, of, als men aan de andere kant staat, met wrokkend alarmgeroep van een terugwinnen van het verloren terrein der Ned. Herv. Kerk te spreken. Zover is het nog lang niet. Maar er zit werking in de lucht.

Die werking heeft gemaakt, dat binnen de Ned. Herv. Kerk een beweging gewekt is, die op een reorganisatie aanstuurt. Dit is voor ons volk, maar ook voor ons Religieus-Socialisten van belang. Zonder die oude, logge Herv. Kerk is ons volk niet denkbaar, evenmin als het Religieus-Socialisme. Niet aUeen, dat prinsen en prinsessen hun huwelijk er laten inzegenen en hun kinderen er laten dopen, het Religieus-Socialisme ontving en ontvangt uit die Kerk vele van zijn voorgangers, en zonder dat die voorgangers niet getrouwelijk en met hart en ziel binnen die Kerk hun werk hadden gedaan en, wat misschien nog belangrijker is, hun vorming hadden ontvangen, zouden er geen Zondagochtendbijeenkomsten en geen cursussen, geen „Blijde Wereld” en geen Kortehemmen zijn ontstaan.

Een reorganisatie van die Kerk, die veel gesmaad en vaak uitgelachen is, is ook voor ons werk van direct belang.

Het gaat er mij nu om, iets mede te delen over die reorganisatie-beweging, en ik stel mij daarbij als lezer voor iemand, die buiten die Kerk staat, en die alleen maar iets van horenzeggen weet.

Die buitenstaander zal op zijn best die Kerk raar vinden. Hij zal ontdekken, dat conservatisme haar meest kenmerkende trek is, en dat men het geheel niet naar de delen moet beoordelen. Hij zal iets weten van richtingsstrijd, en wel gemerkt hebben, dat wat op de ene kansel diepste vroomheid wordt geacht, elders als satanische ketterij wordt gelaakt. Maar dat toch op die beide kansels predikanten het woord voeren, die door eenzelfde commissie geëxamineerd, door eenzelfde classicaal bestuur geregeerd, eenzelfde reglement bestuurd worden. Inderdaad: eensgezindheid tussen de richtingen is er alleen op de ringvergaderingen, waar de vacaturegelden ver-

deeld plegen te worden. Voor de rest spreekt men elkander niet, men vecht alleen maar.

Deze toestand was niet zo wonderlijk, zolang er, ondanks de vele verschillen, een traditie van samenhang bleef; zolang de herinnering aan de eensgezindheid van weleer, die ook wel eens heel drukkend kon zijn, levend waa. Bovendien: zolang de Ned. Herv. Kerk, ondanks veel lauwen, onbestreden haar positie van Grote Kerk handhaafde.

Maar, al die „zolangs” bestaan niet meer. Daar komt nog iets bij: terwijl 50 jaar geleden het godsdienstig denken sterk onder de ban stond van het wetenschappelijk denken, dat allerlei dingen heel zeker wist, en alleen een bepaalde provincie van het zieleleven voor wetenschappelijk onderzoek ontoegankelijk verklaarde, n.l. een mogelijk bestaande ervaring van iets mysterieusigs, dat de Kerk dan God noemde, is nu dit wetenschappelijk denken veel onzekerder geworden. Omtrent allerlei details is het zeer veel verder gevorderd, een centraal gezichtspunt, voor ieder aannemelijk, ja, voor ieder, die van goede wil is, geboden, geeft het niet. Zolang de wetenschap hoog van de toren blies, hield de Kerk zich bescheiden, was ruim, aanvaardde de moderne prediking, die de resultaten van het moderne denken in haar vroomheid wilde opnemen. Maar nu het moderne denken door vele van haar resultaten bescheidener is geworden, en erkent geen zekerheden voor leven en voor sterven te bieden, nu gaat de Kerk weer voelen: wij hebben het woord voor de wereld. En om dat woord te kunnen zeggen, moet zij weer een vorm krijgen, waardoor zdj gezag kan uitoefenen, gezag zowel over wie onder haar vleugelen woonden, een moederlijk gezag dus, als gezag jegens wie buiten de muren staan, prestige-gezag dus. Daartoe, zo zeggen velen, moet de Kerk weer Kerk worden!.

Het reorganisatie-streven, het pogen om in de Kerk de bestaande belijdenis en de belijdenisgeschriften bindend te verklaren, is dus een tijdsverschijnsel. Dat is geen schande. Het staat veeleer op de creditzijde van een beweging, als zij haar tijd verstaat.

Echter: wij verstaan ook wel zoveel van onze tijd, dat wij ons hoeden willen voor allerlei pogingen, om oude strevingen, die wij principieel hebben afgewezen, binnen te halen, omdat ze in de geest van de tijd liggen. Want niet alleen op kerkelijk gebied, ook elders streeft men naar herstel van wat op goede gronden verworpen werd. Ook elders maakt men gebruik van een innerlijke onzekerheid bij grote scharen, om het oude, vertrouwde weer te doen aanvaarden. De enige weg die moderne mensen, d.w.z. mensen, die hun tijd willen verstaan, zonder hem te verguizen, noch te verheerlijken, kunnen gaan, is: nieuwe wegen zoeken, terwijl men zich door het oude laat leren en niet tyranniseren.

Want hier gaat het de reorganisatoren om: zij willen de Kerk weer tot Kerk maken. Dat weer zeggen niet allen, maar zeer velen bedoelen het. Zij willen de Kerk, zoals zij Is, maken tot de Kerk, zoals zij denken dat zij geweest Is, en/of zoals zij krachtens een bepaald kerkbegrip vinden, dat zij worden moet. Over dat kerkbegrip Is zeer veel te doen.

Het Is ook zeer belangrijk. leder weet, dat de Rooms Katholiek lets anders bedoelt dan de Remonstrant, als hij Kerk zegt. Zelfs binnen de Hervormde Kerk zullen voorstanders van de reorganisatie niet steeds het zelfde kerkbegrip hebben. Zij ontkennen dat ook niet. Zij willen eerst de Kerk zoals zij nu is de gelegenheid geven tot spreken. Zij zal eerst weer eens over de centrale punten moeten gaan beslissen. Dan kan daaruit een nieuw kerkbegrip ontstaan.

Hoe, zo vraagt de ondeskundige lezer? En al die dominees, spreken die dani niet elke week? Sommigen zelfs zo, dat niemand meer naar ze luistert! Ja, dat weten de reorganisatoren ook wel. Maar zij bedoelen met het spreken der Kerk iets anders: het spreken van de bevoegde organen, zodat niet meer de particuliere ds. Zus-of-zo, maar de Kerk in haar geheel spreekt. Kan men het, zo vragen de reorganisatoren, de wereld kwalijk nemen, als zij niet luistert naar dien Ds. Zus-en-zo, die immers heel geen talent heeft? Hij heeft nu alleen persoonlijk gezag. Straks zal de wereld moeten luisteren naar de Kerk, die spreekt, afgezien van den niet-welsprekenden predikant.

Zo wordt de zaak gesteld. Men voelt wel, hoe hier de tijdgeest spreekt. Behoefte naar bovenpersoonlijk gezag, uniformiteitsverlangen, hunkering naar zekerheden.

Persoonlijk wijs ik deze reorganisatie-voorstellen af. Zeker, ik begrijp zeer wel de noodzaak van een reorganisatie. In een tijd, toen iedereen wel met den ander het zo’n beetje eens was, en men alleen verschilde van mening op ondergeschikte punten, de tijd, toen het kerkelijk reglement ontstond dus, was er weinig behoefte aan gesprek. Maar ruim honderd jaar zijn verstreken, en nu zijn er velen, die het zelfs op de allerbelangrijkste punten nog niet met zichzelf eens zijn. Dat men weer gaat spreken met elkander, dat is eis. Daar zal b.v. de moderne theologie een zware dobber bij hebben, maar het zal haar „modern” houden. Dat spreken zou moeten geschieden op de basis van gemeenschappelijk verleden en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in het heden. Misschien is dat een wankele basis. Maar het is althans een reële basis. Maar wat de reorganisatoren doen is dit: zij willen slechts spreken van een basis uit, die zij eerst vaststellen, om er toe te kunnen komen. Dat is scholastiek. Dat is precies, wat de middeleeuwen heel gewoon vonden, maar wat het moderne denken sinds 1500 steeds bestreden heeft. En met deze methode hoopt men een resultaat vast te steUen, waardoor men gezag heeft tegenover de wereld, die de kerk de rug toekeerde, omdat 'zij geen oor had voor haar woord, en haar, de wereld, slechts teksten en belijdenisartikelen gaf als antwoord op haar dringende vragen.

En hier naderen wij het punt, waarop wij als Religieus-Socialisten spreken. De socialisten zijn van de wereld. Zij mogen door christelijke en humanistische traditie gevormd zijn, hun denken is, in die oude zin, modern. Als nu de Kerk deze massa, van wie wij de hoop hebben, dat zij meer aandacht aan de Godsdienst, aan de Kerk gaat besteden, deze gereorganiseerde Hervormde Kerk ontmoet, dan zal zij begrijpen, dat de methode van spreken niet bij haar past, en weer, als zovaak, mèt de Kerk, de waarheid der Kerk verwerpen.

Er zou over de reorganisatie veel meer te zeggen zijn. Er is trouwens al zoveel gezegd, dat men niet meer kan beweren, iets nieuws over deze materie te zeggen. Om dat vele gaat het hier niet. Ik heb hiermede getracht iets van de uitgangspunten te doen verstaan en het belang van de komende Synodale beslissing te laten merken.

Het zal van openheid getuigen, als ook de niet kerkelijk-geïnteresseerde religieus-socialist met grote aandacht het debat volgen gaat.

L. H. RUITENBERG