is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 29, 21-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WANNEER

Dit is het uur, het smettelooze uur,

waarin het leven uit de dood gaat rijzen; weerom doorbreekt de zon het wazig grijze versloten kleed der schuchtere natuur.

En lied’ren stijgen op; werelden spelen hun luchtig spel van nauw ontwaakte jeugd,

toch is, helaas, dit hart niet zóó verheugd, als het wel wilde zijn om al dit bloeiend vele.

Neen, naar de menschen buigt de lente niet,

de avonden gaan dieper tot de nachten; vrede noch hoop vervulde hen, die wachtten, noch ook brak zonlicht in het dofst verschiet.

Komen eerst rampen, dood en ondergang

van wat gebouwd werd door ook onze harten, toch nog verkleefd aan eigen wensche’ en smarten;

Wanneer, wanneer, klinkt ’s mensöhen Lentezang?

ANTON POLET.

Nogmaals de boerenbonden en de S.D.A.P.

De heer Kiestra heeft in het nummer van 7 April naar aanleiding van onze artikelen de stem van een boer uit de praktijk laten hoor en. In de conclusies verschillen wij niet veel. Beiden komen wij op voor een beschermend, regelend en ordenend ingrijpen in het nationale productieproces. Uit het artikel van den heer Kiestra blijkt niet, of hij de arbeid dan wel het bezit primair stelt in deze regeling, maar ik veronderstel bij hem wel het eerste.

Ons diepstgaand verschil ligt wel in de waardeering van Smid over de verarming van het platteland door de invloed der hooge loonen in beschutte en overheidsbedrijven en door de sociale politiek in 't algemeen. Ik geef gaarne toe, dat in dit licht de druk van de „sociale politiek” meer is dan 3 %. „Aan den landbouw als de fundamenteele factor in de voortbrenging, moeten de loonen en prijzen worden getoetst en afgewogen.”

De positie van den landarbeider is echter de allerzwakste onder de arbeiders, door de geringe geschooldheid, de eigenaardige positie in het kleinbedrijf met zijn persoonlijke verhoudingen en hoop op eigen bedrijfje, en vooral ook door de verminderde behoefte aan werkkrachten ten plattelande door de toenemende mechanisatie bij een betrekkelijk hoog geboorteoverschot.

Hadden de loonen zich in de industrie en de overheidsbedrijven van 1918 af, het jaar, waarin de heer Smid zijn profetieën aanving, aangepast aan de landarbeidersloonen, dan was de loonstandaard laag gebleven. Tenzij de koopkrachttheorie zoo volstrekt geldt, dat dan ook de hoogconjunctuur uitgebleven was, was dan het

voordeel van deze lagere loonen geheel ten goede gekomen aan het kapitaal. Deze lage loonen in de industrie hadden de afvloeiing van overtollige arbeiders van het platteland naar de stad tegengehouden; dus nog meer arbeiders en lagere loonen in de landbouw. Wel was het mogelijk, dat voor de lagere loonen en salarissen het levensonderhoud ook voor de boeren goedkooper was geweest, maar aan wie zouden de voordeelen van dit goedkooper levensonderhoud en deze lagere landarbeidersloonen ten goede gekomen zijn? Aan het grondkapitaal, omdat de pacht steeds zoo hoog is, dat de pachter met de rente van zijn bedrijfskapitaal bij gelijk blijvende conjunctuur het iets beter heeft dan de landarbeider. Deze hoogere pachten zouden voor een groot deel naar de stad gegaan zijn, dus de plattelandsverarming was eerder toe- dan af genomen! Daarmee is de geheele redeneering van de heer Smid veroordeeld: het pachtstelsel zuigt toch zooveel van de landbouwopbrengst van het platteland weg, als de landarbeiders en in verband daarmee de boeren krachtens de sterkte van hun klassepositle willen afstaan. Vóór de groote landbouwcrisis was bij een normale kapitaallast de totaalopbrengst van de landbouw voldoende geweest, om een redelijk landarbeidersloon mogelijk te maken. En overigens is hier een regeling van het maatschappelijk stelsel, en niet afbraak der sociale politiek, zooals vele boerenbonders dit voor oogen staat, de weg tot een betere verhouding.

; Nu in de crisis de totale landbouwop) brengst zóó gedaald is, dat een redelijke belooning der werkers plus een kapitaal; rente, die in verband met de totaalop-

brengst ook redelijk te noemen is, binnen de grenzen van ons maatschappelijk stelsel niet meer mogelijk is, staat de zaak natuurlijk iets anders.

Toch beteekent afbraak der sociale po litiek behalve mogelijk iets goedkooper levenspeil, allereerst voordeel voor de bezitters, terwijl met ons maatschappelijk stelsel in de landbouw elk goedkooper levenspeil voor de boer en lagere loonen voor de landarbeiders weer verdisconteerd wordt in hoogere pachten. Dus toch weer winst voor het kapitaal.

Het verzet tegen de sociale politiek is speculeeren op de gevoelens van „verbeten wrok en afgunst” bij de boeren, een gevaarlijk spel, waarmee handige leiders onder de boerenbevolking zeker succes hebben.

Het socialisme ziet als uitweg een planmatige regeling in de landbouw, waarvoor niet noodwendig allerlei nieuwe plannen noodig zijn, maar waardoor wel een eind moet komen aan de uitbuitende werking van het pachtstelsel op het platteland.

Dat bij zoo’n plan in het geheel van de volkshuishoudkunde enkele hooge loonen moeten vallen (en hooge inkomens uit bezit ook in zulk een plan!), en dat de prijs van de landbouwproducten daarbij wel eens heel wat boven de wereldmarkt kan liggen, zijn waarheden, waaraan een enkel op klassestrijd, niet op constructieve opbouw berekende sociaal-democratie misschien nog moet wennen. K. TERPSTRA

Balkenleggen en Bouwcrediet

In de grootendeels agrarisch communistische dorpshuishouding der Bataks was bouwkapitaal of bouwcrediet noodig, evenals in onze Westersche kapitalistische staatshuishouding. Het is voor heden en toekomst van belang te weten, hoe dat z.g. primitieve bouwcrediet er uit ziet. De acht gezinnen, die het huis denken te bewonen, en die ongeveer ƒ 200 daarvoor in contanten moeten opbrengen, dienen elkaar eerst gevonden te hebben in een tijdelijke bouwvereeniging, opgericht met het doel samen één huis te bouwen. Rekening houdend met rang en stand, (sociaal aanzien is o.a. afhankelijk van verwantschap met den dorpsstichter en diens nakomelingen die regeeren en rechtspreken), maken zij met zijn achten eerst uit wien de voornaamste woonplek in de niet met tusschenschotten afgeschutte huisruimte der acht gezinnen toekomt. De gedachtenwereld dezer dorpelingen, speelt daarbij een groote rol. De invloedrijkste afstammeling van den dorpsstichter, (er is erfrecht maar met uitverkiezing van de beste bij algemeene stemmen), komt te wonen links van de vooringang. De voorkant van het huis is die zijde waar men aantreft het ondereind van de houten balken die in de lengterichting van het huis gelegd zijn. Dat ondereind dezer balken is het dichtst bij de wortel van de boom gegroeid, het andere balkeind, komt dus in de achterkant van het huis te liggen. Dat men alle hout op die wijze van wortel tot top legt, (ook de rechthoekig er op liggende balken laat men als van wortel tot topeind aansluiten), en dat men het dichtst bij dien wortel de naaste afstammeling van den dorpsstichter laat wonen, heeft zinnebeeldige beteekenis. De huisheer, die ook het hoofd der bouwvereeniging is en letterlijk „hoofd des huizes” (pengoeloe roemah) heet, maar ook wel in verband met de ligging der balken „begin van het hout” (bena kajoe),