is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 9, 26-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingezonden g

Geachte Heer Moltzer,

In antwoord op het stukje, door u geschreven naar aanleiding van mijn Het kraagje en de pop, het volgende.

Ik heb niet beweerd, dat kinderen geen speelgoed moeten hebben, in gevangenissen gemaakt, maar ik had het over het héél fijne en keurige popje in het handje van een baby, vervaardigd door vrouwen in een cellulaire gevangenis. Er is voor mij wat heel triests in dat spelende kindje met het popje, vervaardigd door gevangenen in hun eenzaamheid.

Wie zou het niet toe juichen, dat er door gevangenen, ook en vooral als zij celstraf moeten ondergaan, gewerkt moet, neen mag worden, want ledigheid is des duivels oorkussen, zodat het niet anders dan als een zegen moet beschouwd worden, dat de gevangenen hun hoofd en handen kunnen laten werken voor arbeid, waarvan slechts goede resultaten te verwachten zijn.

Maar er is verschil tussen werk en werk.

Ik kan niet begrijpen, dat de luxe-artikelen, fijne en keurig bewerkte popjes, heel fijne kraagjes en wat dies meer zij, een invloed ten goede kunnen hebben op de in eenzaamheid opgesloten vrouwen. Welke gedachten zullen, als haar vingers werken, in haar hoofden ronddwalen? Ik kan het mij niet voorstellen, dat door al het mooie en fijne, dat zij maken, niet verlangens naar het bezit ervan en het zich er mee tooien, in haar zullen opgewekt worden.

Er kan toch ander werk voor haar bestaan, dat een steun voor haar is in de eenzaamheid en niet in het vervaardigen van luxe-artikelen bestaat. Een kind kan iets anders krijgen dan juist zo’n fijn poppetje een vrouw en een meisje hoeven zich niet te tooien met zo’n heel en heel fijn kraagje, vervaardigd door vingers, die vóór alles behoefte hebben aan arbeid, welke niet het verlangen naar zich tooien en opschikken moeten opwekken. Ik heb ook de diep geworteide overtuiging, dat de talrijke gevangenissen die wij hebben, één der symptomen zijn van onze decadente tijd en maar al te duidelijk demonstreren, hoeveel verwildering er is.

Het spreekt vanzelf, dat ook, als ons opvoedingsstelsel verandert en wij niet meer jongens en meisjes maar overlaten aan invloeden, waaraan zij nog geen weerstand kunnen bieden, er dan nog gevallen, zich zullen voordoen, waartegen de samenleving moet strijden.

Maar het grote aantal gevangenissen, dat nu nodig is, kan slechts beschouwd worden als een gruwelijke aanklacht tegen de maatschappij van nu.

Hoe meer wij alles doen om kinderen en jongeren zo op te voeden, dat zij in staat zijn te strijden tegen zichzelf als volwassenen, hoe minder gevangenissen er nodig zullen zijn, en als die niet gemist kunnen worden, dan zullen zij wellicht toch gans anders zijn dan degene, welke nu nog in de meeste landen bestaan.

Ik meen met het bovenstaande, waarde heer Moltzer, u geantwoord te hebben.

Indien ik in mijn stukje, dat u aanleiding gaf tot het schrijven van uw protest, op het gevoel werkte, kan ik slechts u vragen; Hoe zou het anders kunnen?

Er is voor mij iets pijnlijks in de gedachte, dat een klein, héél klein kindje speelt met iets heel fijns, door vrouwen in cellulaire gevangenissen vervaardigd, en moeders van die kleintjes en anderen zich tooien met fijn werk, door opgeslotenen in eenzaamheid vervaardigd!

Hoe zou het gevoel, het geweten, dan niet de schrijvende pen besturen?

Met hartelijke groeten en de grootste hoogachting, uwe

IDA HEIJERMANS

Ik sta vaak in verwondering als ik mijzelf herken: dat ik slechts verbizondering van heel de mensheid ben. FRANK DAALDER.

Boekbespreking m

Jan H. Eekhout en A. J. D. van Oosten, Moderne Nederlandsche religieuze lyriek. De Tijdstroom, Lochem 1938, ƒ2.90 geo.

Er staan in dit boek een paar mooie verzen. Enige van de dichters met bekende namen, en ook wel hier en daar een, waarvan de schrijver mij niet bekend was. Maar die „parelen” heeft de lezer op te vissen uit een zee van middelmatigheid: op mijn woord, ik had mij van een bloemlezing altijd een andere voorstelling gemaakt.

Zelf blijkbaar beseffende, dat wat zij hun lezers bieden soep is met niet zo heel veel balletjes, hebben de verzamelaars er wat poëzie van erkende oudere dichters door geroerd; maar des te schameler steken al deze bedrukte bladzijden (364!) nu af bij een zuiver vers uit een zuiver hart, als ~Die mijns harten vrede zijt”, van de reeds in 1922 gestorven Jacquéline van der Waals.

In een loffelijk streven, het religieuze ook buiten de grenzen van hun eigen richting te erkennen, hebben de orthodox-Protestantse Eekhout en de Katholieke Van Oosten hun bundel de volgende indeling gegeven: I. de Protestantse, 11. de Katholieke, 111. de onafhankelijke, IV. de Marxistische dichters. Ik wil de eerste beide afdelingen in hun waarde laten, maar tegen de behandeling van 111. en IV. past onzerzijds m.i. een scherp protest. Zo zinrijk als het is, socialistische poëzie, d.w.z. poëzie die organisch verbonden is met een socialistische levensovertuiging, van andere te onderscheiden, zo onzinnig is het, religieuze verzen van dichters, die toevallig allemaal rood zijn, in een afzonderlijk hokje te stoppen: en hangt men boven dat hokje dan nog het bordje ~Marxisten”, alsof er enig verband was tussen deze verzen en Karl Marx, dan is de verwarring compleet. De enig-juiste wijze van indelen was hier geweest: Orthodox-Protestantse, Katholieke, Niet-confessionele dichters.

Bij de „Marxisten” treft men Den Doolaard, die, meen ik, nog niet rood was toen hij zijn eerste bundel schreef, en Van Hattum, die het niet méér is; verder Marianne Philips met „David speelt voor Saul”, waar ik evenmin iets religieus’ als iets socialistisch hoogstens iets Joods in ontdekken kan. Wie men er niet aantreft is de schrijfster van ~Tussen Tijd en Eeuwigheid”: onder het motto „we kunnen ook niet overal aan denken, we hadden al 155 dichters onder dak te brengen” zeker. Over het ontbreken van Glotzbach’s Psalmen, van Stuiveling en verschillende anderen zullen wij het dan maar niet eens meer hebben. „Onafhankelijke” dichters acht men blijkbaar religieus, als ze van Sabbath, Franciscus, Kerstmis, het paradijs, ja zelfs als zij van Hagar spreken. En wist u dat zelfs Slauerhof en Vestdijk verzen geschreven hebben, resp. over den apostel Thomas en over de Judaskus?

M. H. V. d. Z.

Johan Winkler: „September 1938” Arbeiderspers. Prijs ƒ 1.90.

Men zou Winkler onrecht doen, indien men zijn waardering voor deze historische reportage concentreerde op het feit, dat zij in vier dagen is geproduceerd en ruim een week na de beslissende gebeurtenissen kon worden uitgebracht. Misschien ligt echter toch in dit ~record” de verklaring opgesloten voor het ongemeen boeiende en levende karakter van het document, dat W. over een van de spamiendste en gewichtigste periodes der na-oorlogse geschiedenis heeft opgesteld.

Want zelden zal een historie-schrljver, ook de tljdskroniek-schrijver ooit zo ten volle vaak alinea na alinea en zelfs regel na regel de verschillende aspecten en gelijktijdig plaatsvindende incidenten in een enorm gebeuren tot uitdrukking kunnen brengen, als deze midden uit de verwarrende veelheid der verschijnselen, der indrukken en der overwegingen voortgesproten „reportage”. Dit geschrift is door zijn innig contact van een levend mens met een zeer nabije werkelijkheid niet alleen een historisch, maar ook een menselijk document, dat voor later niet alleen zijn waarde zal hebben als getuigenis van hetgeen werd waargenomen, maar ook als getuigenis, van hetgeen persoonlijk een mens in September 1938 heeft doorleefd.

Het boekje is door ondergetekende in een heel wat langzamer tempo gelezen, dan waarin het tot stand kwam. Maar ook na critische lezing met het voordeel van een al wat groter afstand en met de

wetenschap van niet voorzienbare gevolgen, kan de historische waarde van dit document geen ogenblik worden in twijfel getrokken. Er resten slechts enkele critische opmerkingen. Het lijkt mij niet juist, zoals W. doet (pag. 16), de diepste grond voor het Tsjechoslowaakse conflict, dat tot het Septemberdrama voerde, in het wezen van de Tsjechoslowaakse staat te zoeken. Daarvoor is de actualisering van de Duits—Tsjechische tegenstelling na 1933 te kunstmatig. Deze tegenstelling zelf had eeuwenlange samenleving niet ondragelijk gemaakt.

Vraagtekens zette Ik, waar W. op pag. 35 van een noodlotsspel spreekt, waarin schuld en schuldeloosheid, met name ten aanzien van Chamberlains bemoeiingen, in elkaar overgaan. Was het misschien toch niet een doorgestoken kaart? In October is verder wel reeds gebleken, dat W. te grote waarde heeft toegekend aan de garantie-verklaring van de nieuwe grenzen.

En dan lijkt mij de schatting van de vredeswil der massa als factor bij de beslissingen der dictatoren te optimistisch, evenals Mussolini’s demagogie van het balcon in Rome te ernstig wordt genomen. Voor de massa’s in de dictatuurlanden (wie vormen die massa’s eigenlijk?) is de „vrede der gerechtigheid” die, waarin de eigen natie gelijk krijgt, en de vredeswil zelf in overwegende mate angst voor de nederlaag. Trouwens, bij de massa’s in de andere staten was de vredesdrang in September niet van veel hoger gehalte. W.’s balans is in het algemeen niet het gelukkigste hoofdstuk, maar zal dat niet bij elke reportage het geval moeten zijn?

B. W. SCH,

Prof. dr. H. C. Rümke, De levenstijdporkGn van dGn man. ArbGidcrspers 1938. 90 blz. Prijs 90 cent.

Ik weet niet precies, waarom dit boekje tot zulk een merkwaardige sensatie voor mij geworden is. Neen, u leest het niet zo maar even door, het vraagt meer dan een paar halve uurtjes. Maar als u de niet eenvoudige stof, die door één der zeer bekwamen u wordt toebereid, met geconcentreerde aandacht hebt opgenomen, dan weet u, dat u iets zeer waardevols hebt ontvangen uit de handen van een mild en wijs man. Misschien werd daarom dit boekje tot een verheuging: om de wijsheid die er uit straalt. Een psychiater als prof. Rümke heeft door zijn beroep heel veel donkers uit de mensenziel zien opkomen, weet van veel verwrongens maar hij toont, zonder er opzettelijk over te praten, een wijze liefde die hij behield. Misschien moet je de eerste helft van het mensenleven achter je hebben, om dit relaas volop te kunnen waarderen... Pijn blijft het.

Richard Muller—Preien fels. De voornaamste richtingen in de hedendaagse psychologie, vert. door dr. P. H. Ronge. Uitg. Bijleveld, Utrecht 1938. 194 blz Ing. ƒ2.90. Geb. ƒ3.90.

Het boek dat ons thans in Hollandse vertaling is voorgezet verscheen voor het eerst in 1928 als een van de handige deeltjes uit de reeks Wissenschaft und Bildung van Quelle und Meyer en kostte toen ƒ 1-—■ Veel is er aan de tekst niet veranderd, al zijn er wel een aantal nieuwe werken in opgenomen en is aan het eerste deel een paragraaf toegevoegd. Indertijd heb ik het boekje dankbaar gelezen: men krijgt een eerste overzicht van wat er zo in de Psychologie aan de orde is en leert een aantal begrippen kennen, waarmee deze wetenschap opereert je hebt dan een eerste benul. Als zodanig is het nog wel aan te bevelen. Maar of vertaler en uitgever er goed aan hebben gedaan, om ons nu dus na 10 jaar een hollandse uitgave aan te bieden? Of er in die 10 jaar in de Psychologie niet een en ander gebeurd is dat thans breedvoeriger behandeling zou eisen? En of een Hollandse uitgave a 3 of 4 gulden nodig is, waar de duitse nog steeds voor één gulden te krijg is? Wie deze tekst kan opnemen, kent allicht voldoende Duits. w. B.

Tarjei Vesaas: „Het Groote Spel”. Uitg. H. P. Leopold, Den Haag, 1938. 298 blz. Prijs: ƒ2.90, ƒ3.90.

Tarjei Vesaas geeft in dit boek het leven van de kleine Per, de oudste zoon op Bufast, een boerderij in Noorwegen. Met zijn kinderogen ziet Per het harde leven der volwassenen en dat lokt hem niet erg aan, zodat het plan bij hem opkomt weg te gaan van de boerderij.

Hij werkt hard om op school de eerste te zijn, zodat hij later prest zou kunnen worden. Maar zonder dat hij ’t weet is hij met duizend banden aan Bufast gebonden en als hij straks de boerderij van zijn vader gaat overnemen, merkt hij, dat hij tóch van de grond is gaan houden.

Het is jammer, dat Vesaas een wat stoterige stijl heeft, of ligt het aan de vertaling? En je moet af en toe wel erg tussen de regels door lezen om de bedoeling te snappen.

Dat is misschien de reden, waarom ik over dit boek toch niet zo erg verrukt ben.

L. W.—S.