is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 23, 04-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waf niet vergaat....

„Is dit plan en dit werk van menselijke oorsprong, dan zal het verbroken worden; is het daarentegen uit God, dan kunt gij hun werk niet tenietdoen.”

(Hand. 5 : 38, 39.) Deze waren de woorden van een der rechters, toen Petrus en de zijnen als beklaagden voor de joodse raad ge# bracht waren.

Mensenwerk gaat te gronde, Gods werk kan niet vernietigd worden zie# daar het oordeel van Gamaliël. Een oordeel, dat niet gegeven wordt als blind geloof, maar als een, dat gegrond is op ervaring.

Dat mensenwerk te gronde gaat dat is zonder meer duidelijk van de stof# felijke dingen, die niets met religie te maken hebben: de huizen, die wij bouwen, de kleren, die wij dragen, het gereedschap, dat wij gebruiken ... het houdt alles geen stand. Huizen worden bouwvallig, kleren slij# ten, gereedschap gaat kapot op den duur.

Machtige potentaten veroveren ko# ninkrijken, maar zij houden geen stand: het machtige Babylonië van vroeger is een wildernis geworden, het wereldrijk van Alexander, later dat van Constan# tijn, stortte ineen. Over 1000 of meer jaren is het uitverkoren Duitsland van Hitler, het Italië van Mussolini, het machtige Britse imperium in de vergetel# heid geraakt.

Wat geldt van de dingen, die niets met religie te maken hebben, datzelfde geldt evenzeer van de dingen, die er wel mee te maken hebben. Want ook in de religie, zoals mensen haar belijden, is altijd een menselijk deel, een deel dat niet uit God is. En dat deel is het vergankelijke. De tempel te Jeruzalem werd met de grond gelijk gemaakt, de oud#testamentisehe ere# dienst is vergaan en vergeten.

Maar evenzeer is er in het oude een onvergankelijk deel geweest, een deel dat bleef omdat het eeuwig was, uit God was. Bij al het vergankelijke dat in de oude bijbel te vinden is, is daarin ook het eeuwige, dat nooit vergaat: er brandt en gloeit iets in de profe# tieën van Jeremia en Amos, dat levend en waar is, ook nu nog;

er trilt en zingt in de evangeliën een toon, die troost en ontroert, ook nu nog. Dat is het eeuwige van God en dat ver# gaat nimmermeer.

Al wat niet uit God is dat vergaat. Zo de leugen. Al doet ze nog zo haar best zichzelf als waarheid uit te geven. Wat niet waarlijk waarheid is, wordt ontmaskerd en gebroken met de tijd.

Het is haast niet te geloven wanneer wij zien op het wrede, gemene, het leu# genachtige en onredelijke, dat in de wereld van heden zijn triomphen viert. En toch is het zo. Want er gaat een Oordeel door de wereld, dat het ver# gankelijke schift van het onverganke# lijke, het menselijke van het goddelijke, de leugen van de waarheid.

De oude Joden hebben gezegd: Jere# mia is een leugenaar. Volgens een oude overlevering werd hij gestenigd. Maar de tijd ging voort ook na Jeremia’s dood. En waarheid werd geschift van leugen, het menselijke van het godde# lijke en enige eeuwen nadien zeiden de Joden: onze vaderen hebben gedwaald, zij hebben zich vergrepen aan Jeremia, Jeremia was een profeet. Toen Jezus kwam hebben zijn volks# genoten opnieuw gezegd: hij lastert God en de tempel. Kerk en Staat hebben hem veroordeeld en gekruisigd. Maar de tijd ging voort. Waarheid werd opnieuw geschift van leugen, leugen van waar# heid. Een later geslacht erkende in Jezus den godsgezant.

Dit is het oordeel, dat zich voltrekt in de geschiedenis. Het plaatst alle dingen in het ware licht. Wereldgeschiedenis is wereldgericht. De erkenning hiervan geeft uitzicht op de toekomst. In onze tijd wordt opnieuw de leugen als waarheid beleden en de geweldenaar als een heiland vereerd. Maar het grote oordeel gaat zijn gang. Het laatste woord is steeds aan God, d.w.z. aan de Waarheid.

De kracht, die in deze erkenning ligt, zal ons waarlijk niet verleiden tot een al te vlot en gemakkelijk optimisme. Daarvoor weten wij te goed, juist nu, dat elke tijd zijn eigen onrecht kent. Daarvoor hebben wij te smartelijk er# varen het geweld van de tegenkrachten in anderen en.... in onszelf. Het zal ons te scherper herinneren aan onze opdracht, onze taak in deze tijd. En het is geen hopeloze taak;

de zekerheid, dat het laatste woord blijft niet aan de leugen en de onge« rechtigheid, maar aan de waarheid, die door het grote oordeel Gods aan het licht wordt gebracht die zekerheid geeft aan de opdracht perspectief, uit? zicht. En geeft ons kracht. D. OOSTEN.

Lit de vrercid yan het boek

T: ï w Gallennnot’ Kraemer: NO 3rp!'Boe°rJSinkH j".f KlaT senstriid ia of npenv iMn <i- Mt- r- J Scholten- Kerk en Staat Priis 25 rt’ ner deeltle'

Deze brochures verdienen zéér onze aandacht, aUeen reeds omdat zij worden uitgegeven door de orthodox protestantse intellectuëlen (en het is wel van belang om te weten, wat de grote wereldgebeurtenissen daar wakker roepen) maar óók om de inhoud, die door en door verantwoord is, en die wij niet mogen voorbijgaan. Prof. Kraemer pleit voor een Christendom, dat Christus als de Heer over alle levensterreinen belijdt: „Wij, Christenen en de Christelijke Kerk hebben alleen

Verwachten, dat de verkondiging van het Evangelie de indruk zal maken van sterkend staal en niet van wee fondant, wanneer zij die zich van Christus stellen, geen „Christelijk vermomde gewone mensen en zijn, maar mensen uit wier wijze van ooren handelen blijkt, dat zij een onverwoestbaar burgerschap in de hemelen hebben. en onder een goddelijk gezag leven dat werkelijk geldt in hun leven.”

De brochure van den heer Boerwinkel wil „de grote ontmoeting” van Christendom en socialisme helpen voorbereiden. Het is een van de zeer weinige geschriften uit de orthodox-protestantse kring, die in dit verband enige positieve verheldering brengt. Men heeft zich aan die kant gewoonlijk tevreden gesteld met een zekere toejuiching of waardering van orthodoxe klanken in Winklers getuigenis, zon-

der zich ernstig te verdiepen in de eisen en het wezen van het socialisme. De heer Boerwinkel probeert dat, en al is wat hij zegt voor hedendaagse socialisten niet nieuw, het zou een zeer grote vooruitgang zijn, wanneer zijn beschouwingen in orthodox-protestantse kring aanvaard werden. Terwijl hij de relatieve klassenstrijd, d.w.z. de belangenstrijd ten bate van een bepaalde maatschappelijke groep, wel verklaarbaar acht, ziet hij er toch geen grote zedelijk vernieuwende, eer een ontbindende kracht in; de absolute klassenstrijd echter, d.w.z. de strijd die tot doel heeft vergemeenschappelijking van de productiemiddelen en dus opheffing van de klassenstrijd, of met de aangehaalde woorden van Roosevelt: de strijd tegen het economisch despotisme van het grootkapitaal, acht de schrijver een waarheid die óók door de kerk moet worden erkend niet „omdat daarmee een heilstaat wordt opgebouwd of voorbereid. Neen, zeer nuchter: om erger te voorkomen.” (Blz. 29.) ’ Het betoog van mr. Scholten snijdt een even actueel als moeilijk vraagstuk aan. De schr. erkent, dat in de gespletenheid der kerk één van de grootste moeilijkheden gelegen is: „Verwardheid en onduidelijkheid, in het bizonder door de veelheid der kerken, wordt de kerk, juist als zij over dergelijke vragen als kerk en staat spreekt, terecht ver- Of de conclusie van den schr. ons veel verder helpt? Men ordele: „In hoeverre de kerk zich in staatszaken mag roeren, en in hoeverre de staat in kerkelijke zaken, is nimmer in abstracte te zeggen. Zeker is, dat beide voor zich het recht opeisen te bepalen hoever hijzelf en hoever de ander mag gaan De kerk kan dus geroepen zijn tot de staat een woord te zeggen. De staat moge daarbij weten, dat de kerk gehoorzaamheid aan de overheid, ook aan de niet-christelijke overheid predikt. En de overheid moge ook weten, dat voor haar in de kerk gebeden wordt” (15). Eerlijk gezegd: nu zitten wij nog in de mist. De oecumenische beweging heeft gelukkig duidelijker taal gesproken! 3

Het dorp op den berg, door Johan Maarten. Nederlands van Roel Houwink. Prijs: geb. ƒ 2.50. üitg. Erven J. Bljleveld, Utrecht.

Toen ik dit boek gelezen had, was mijn eerste gedachte na de diepe ontroering, die het gebracht had: wat jammer, dat het niet een gulden goedkoper is. Want ik zou wensen, dat zoveel mogelijk mensen dit eenvoudige aangrijpende verhaal uit de Duitse kerkstrijd lazen. Och, het zijn maar heel gewone mensen, die boeren en arbeiders uit het dorp op de berg, en ze spreken een geloofstaal, die de mijne niet is, maar ze staan voor hun geloof, en ze lijden voor hun geloof. En dan doen de woorden er niet toe: hier voltrekt zich een levende geloofsgemeenschap over dogma’s en woorden heen. Wie een rijksdaalder uit kan geven voor een boek, kope het, en dan late men het na lezing niet in z’n boekenkast stoffig worden: geef het door!

H. B.—S.

M. Mok „Kaas- en Brood-spel"; De Tijdstroor.i, Lochem 1938.

Het gedicht „Exodus”, ongeveer een jaar eerder verschenen, gaf een aangrijpende verbeelding van de slavernij der Joden in Egypte, de door God gezonden plagen, en de uittocht onder Mozes’ leiding. In de moderne Nederlandse dichtkunst is de Bijbelse inspiratie- niet vreemd, integendeel; maar zelden stijgt ze tot een zó hoog peil, als Exodus te genieten geeft. De jonge schrijver Mok trad eensklaps uit de schemer van de derderangsfiguren naar voren in het heldere licht van het eerste plan.

Ofschoon Exodus door het nieuwe Kaas- en Brood-spel niet is overtroffen, kan men evenmin spreken van een terugslag; beide werken nemen eenzelfde hoge plaats in. Het epische genre was in onze dichtkunst altijd vrij schaars, en in de moderne tijden kan men maar enkele epische gedichten aanwijzen. In de meeste daarvan woekert een lyrisch element voort, dat alleen nog maar een episch uiterlijk over laat. Dat iets dergelijks ook in Exodus en in dit Kaas- en Broodspel (de term „spel” acht ik ongelukkig gekozen, ja, èn ten aanzien van de inhoud, èn ten aanzien van de vorm misleidend; dat een dergelijke vermenging ook hier aanwezig is, kan men niet ontkennen; de poëtische charme wordt daardoor natuurlijk in de onderdelen niet verminderd, maar het gehéél mist z’n uiterste mogelijkheden. Dit is de reden, waarom ik Exodus hoger aansla: de lijn van het verhaal is duidelijker. In de 65 strofen, van elk twintig regels, waaruit het Kaas- en Brood-spel bestaat, treft men bij herhaling een stemmingsbeeld aan, dat in de feitelijke ontwikkeling geen verder stadium vertegenwoordigt; er zijn strofen, die men zonder schade voor het gedicht zou kunnen verwisselen van plaats. Het onmiskenbaar grote epische talent van Mok zal zich de beperkingen van een strakker inhoud moeten opleggen, om werkelijk geheel te geven wat hij geven kan. Ook dan pas zal de opstandige kracht van het onderwerp zijn werking doen gevoelen, terwijl die nu in een sentiment vervaagt. g. S.